Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard, de ernst en de omvang van de bewezenverklaarde feiten en de strafoplegging, de persoonlijke belangen die verdachte heeft bij het voortduren van de schorsing ondergeschikt zijn aan de strafvorderlijke belangen en het belang dat de samenleving heeft bij het hervatten van de voorlopige hechtenis. De rechtbank wijst het verzoek van de officier van justitie daarom toe en heft de schorsing van de voorlopige hechtenis op.”