Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/211764 / HAZA 15-565)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord;
- het schriftelijk pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd (aan de pleitnota van [appellant] zijn twee producties gehecht).
3.De beoordeling
- [appellant] heeft meerdere broers, waaronder [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] (hierna: [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] ).
- [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] is de stiefvader van [geïntimeerde] .
- [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] heeft in [vestigingsplaats] een ijzerwarenwinkel annex werkplaats, genaamd [ijzerwaren] IJzerwaren, gehad.
- Op 14 januari 2014 hebben [appellant] en [geïntimeerde] elkaar getroffen in het bedrijf van [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] . Er ontstond toen op enig moment onenigheid tussen hen.
- [appellant] heeft naar aanleiding hiervan op 15 januari 2014 aangifte gedaan van mishandeling tegen [geïntimeerde] . In het proces-verbaal van aangifte staat onder meer het volgende.
- [appellant] heeft (als productie 3 bij tabblad 1 bij de inleidende dagvaarding) een schriftelijk stuk overgelegd. Daarop staat een handgeschreven verklaring die volgens [appellant] afkomstig is van [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] . Die handgeschreven verklaring houdt in dat [geïntimeerde] zijn dochter is en dat hij haar geen strafblad wil bezorgen en daarom geen getuigenverklaring wil afleggen.
- De politie heeft naar aanleiding van de aangifte een onderzoek ingesteld. [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] heeft geweigerd een verklaring af te leggen tegenover de politie.
- Bij beslissing van 9 februari 2014 heeft de Officier van Justitie van het arrondissementsparket Limburg aan [appellant] meegedeeld dat naar aanleiding van de door hem gedane aangifte niet tot strafvervolging wordt overgegaan omdat het gebeuren onvoldoende strafwaardig is.
- [appellant] heeft een verklaring van zijn tandarts overgelegd, gedateerd 30 april 2014, waarin staat vermeld:
- Op 29 juni 2014 is bewind ingesteld over de goederen van [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] .
- Op 19 augustus 2014 heeft [appellant] in gezelschap van zijn advocaat, zijn broer [broer van appellant 2] en mevr. [goede vriendin] (een goede vriendin van de familie [familienaam van appellant] ), een gesprek gevoerd met [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] . [appellant] heeft een geluidsopname van dat gesprek gemaakt zonder dat [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] daarvan op de hoogte was. In het gesprek is onder meer het voorval van 14 januari 2014 aan de orde gekomen.
- Bij beschikking van 25 november 2014 heeft de raadkamer van de Afdeling strafrecht van dit hof het beklag tegen het niet strafrechtelijk vervolgen van [geïntimeerde] afgewezen. Het hof heeft daartoe overwogen, kort samengevat, dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is van enig strafbaar feit, gepleegd door [geïntimeerde] jegens [appellant] .
- [appellant] heeft bij de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w Rv aanhangig gemaakt tegen [geïntimeerde] en daarin een verklaring voor recht verzocht dat [geïntimeerde] op grond van artikel 6:162 BW Pro aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden en nog te leiden schade als gevolg van de door hem gestelde mishandeling van 14 januari 2014. Bij beschikking 10 juni 2015 (zaaknummer C/03/204309 / HA RK 15-71) heeft de rechtbank, kort gezegd, dat verzoek afgewezen.
- Op verzoek van [appellant] heeft in de periode van maart tot en met mei 2016 een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. In het kader van dat voorlopig getuigenverhoor zijn meerdere getuigen gehoord over het voorval van 14 januari 2014 tussen [appellant] en [geïntimeerde] . [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] heeft tijdens dit voorlopig getuigenverhoor als getuige een beroep gedaan op zijn verschoningsrecht.
- een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die [appellant] heeft geleden als gevolg van de mishandeling van 14 januari 2014;
- veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat, te vermeerderen met wettelijke rente;
- De door [appellant] op een USB-stick als bewijs aangeboden beeld- en geluidsopname van een gesprek dat op 19 augustus 2014 heeft plaatsgevonden met [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] wordt niet tot het bewijs toegelaten. [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] heeft immers met een beroep op zijn verschoningsrecht geen verklaring willen afleggen ten overstaan van de politie en de civiele rechter, en het gesprek is zonder medeweten van en zonder instemming van [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] opgenomen. Er is hier niet alleen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs maar ook van bijkomende omstandigheden die meebrengen dat de geluidsopname van het bewijs moet worden uitgesloten (rov. 4.1 tot en met 4.7).
- [appellant] draagt de bewijslast van zijn stelling dat hij op de door hem aangegeven wijze is mishandeld door [geïntimeerde] (rov. 4.8).
- [appellant] is er niet in geslaagd om te bewijzen dat [geïntimeerde] hem op 14 januari 2014 meermalen heeft geslagen, geschopt en zijn hoofd met kracht tegen de poort heeft geslagen, en daarmee onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld (rov. 4.12 tot en met 4.14).
- [appellant] zelf;
- [geïntimeerde] ;
- [broer van appellant 3] (een broer van [appellant] en [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] );
- [broer van appellant 4] (een broer van [appellant] en [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] );
- mevr. [goede vriendin] , een vriendin van de overleden moeder van de gebroeders [familienaam van appellant] en bevriend met de gebroeders [de broers van appellant] ;
- [broer van appellant 5] (een broer van [appellant] en [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] );
- mevr. [ex-echtgenote van appellant] , ex-echtgenote van [appellant] ;
- [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] .
- [medewerker bij ijzerwarenzaak 2] , op 14 januari 2014 als verkoper werkzaam in de ijzerwarenzaak van [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] ;
- [verbalisant] , de verbalisant ten overstaan van wie [appellant] op 15 januari 2014 aangifte heeft gedaan van mishandeling door [geïntimeerde] .
- [broer van appellant 3] heeft verklaard dat hij kort na de fysieke aanvaring bij het bedrijf kwam, dat hij [appellant] uit de poort zag komen met een bloedende mond en strompelend, dat zijn gezicht beschadigd was en dat zijn hoektand los stond, en dat [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] heeft gezegd dat [geïntimeerde] [appellant] in elkaar geslagen had.
- [broer van appellant 4] heeft verklaard dat hij in de zaak van [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] was, dat [appellant] en [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] toen via de voordeur binnen kwamen, dat [appellant] een kapotte bloes had en bloed aan zijn mond, dat [appellant] zei dat [geïntimeerde] hem had aangevallen en dat [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] dat bevestigde.
- Mevr. [goede vriendin] heeft verklaard dat zij bij [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] om de hoek woont, dat zij kabaal hoorde, dat zij toen naar de zaak van [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] is gegaan, dat zij zag dat [appellant] zijn gezicht onder het bloed had en dat zijn werkhemd was gescheurd, dat [broer van appellant en stiefvader van geintimeerde] zei dat [geïntimeerde] [appellant] had neergeslagen en geschopt en dat [geïntimeerde] later die dag tegenover haar heeft toegegeven dat zij [appellant] had geslagen en gestompt.
- [broer van appellant 5] heeft, naar het hof uit zijn verklaring begrijpt, pas achteraf van [appellant] gehoord wat er op 14 januari 2014 is gebeurd.
- Mevr. [ex-echtgenote van appellant] heeft verklaard dat [appellant] , toen hij op 14 januari 2014 binnen kwam, een dik gezicht had en niet goed liep, dat zijn lip dik was, dat zijn rechterkaak opgezet en blauw was, dat hij blauwe plekken op zijn armen had, dat zijn rechterheup blauw en opgezet was en zij linkerknie ook en dat hij zei dat hij geslagen was door [geïntimeerde] .
- erg hard heeft geslagen op onder andere zijn hoofd, armen, beide kaken en in de buik;
- met geschoeide voet meermaals tegen zijn benen en rug heeft geschopt;
- tegen een stalen deur heeft aangeduwd en is blijven slaan en schoppen;
- tegen een andere ijzeren poort heeft aangeduwd en hem vervolgens meermaals met volle kracht zijn hoofd tegen de poort heeft geslagen;
- een krachtige vuistslag heeft gegeven op zijn rechter onderkaak;