ECLI:NL:GHSHE:2019:2792

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
23 juli 2019
Publicatiedatum
23 juli 2019
Zaaknummer
200.225.255_01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 lid 1 BW
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst wegens mishandeling bovenbuurman en tekortkoming huurder

In deze zaak staat de ontbinding van een huurovereenkomst centraal vanwege geweldpleging door de huurder jegens zijn bovenbuurman. De huurder, appellant, werd strafrechtelijk veroordeeld voor mishandeling op 3 december 2016, waarbij zijn beroep op noodweer(exces) werd verworpen. Deze strafrechtelijke veroordeling vormt de basis voor het civiele geschil over de ontbinding van de huurovereenkomst.

Het hof overweegt dat de mishandeling een tekortkoming inhoudt in de verplichtingen van de huurder om zich jegens zijn buren te onthouden van overlast en fysiek geweld. Ondanks eerdere afspraken tussen partijen over gedragsregels, heeft de huurder zich niet aan deze verplichtingen gehouden. De huurder stelde dat de tekortkomingen van de verhuurder bij klachtenafhandeling een rol spelen, maar het hof oordeelt dat deze niet opwegen tegen zijn eigen tekortkomingen.

Alle grieven van de huurder, waaronder die over eerdere incidenten en het woonbelang, worden verworpen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter dat de huurovereenkomst ontbonden wordt en veroordeelt de huurder in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontbinding van de huurovereenkomst wegens mishandeling en veroordeelt de huurder in de kosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.225.255/01
arrest van 23 juli 2019
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
verder: [appellant] ,
advocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven,
tegen:
Stichting Sint Trudo,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
verder: Trudo,
advocaat: mr. B. Poort te Eindhoven,
als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 23 april 2019 in het hoger beroep van het
door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 5720682 \ CV EXPL 17-1687 tussen partijen gewezen vonnis van 3 augustus 2017.

5.Het verdere verloop van het geding

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 23 april 2019;
- de akte van [appellant] van 21 mei 2019 met twee producties;
- de antwoordakte van Trudo van 18 juni 2019.
Partijen hebben arrest gevraagd.

6.De verdere beoordeling

6.1
Bij tussenarrest van 23 april 2019 heeft het hof [appellant] in de gelegenheid gesteld uitsluitsel te verschaffen over het hoger beroep dat [appellant] tegen het vonnis van de politierechter van 14 juli 2017 heeft ingesteld. [appellant] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt door het overleggen van het arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van dit hof van 4 mei 2018 en van de akte van 8 mei 2018 waarmee tegen dat arrest beroep in cassatie is ingesteld.
6.2
In het arrest van 4 mei 2018 is bewezen verklaard dat [appellant] ‘op 3 december 2016 te [woonplaats] [betrokkene] heeft mishandeld door hem met gebalde vuist op het gezicht/de lip te slaan’. Het beroep van [appellant] op noodweer(exces) is verworpen. [appellant] is veroordeeld tot, samengevat, een taakstraf van 60 uur, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde gedurende de proeftijd een contactverbod met [betrokkene] , en tot betaling van € 1.263,95 met wettelijke rente aan (im)materiële schadevergoeding ten behoeve van [betrokkene] . Over het verloop van het beroep in cassatie vermeldt [appellant] verder niets.
6.3
In haar antwoordakte heeft Trudo de overgelegde producties niet betwist. Volgens Trudo doet zich de situatie voor als bedoeld in rechtsoverweging 3.6 van het tussenarrest en dienen de grieven van [appellant] verworpen te worden. De akte tot cassatie doet daaraan volgens Trudo niet af. In de door Trudo bedoelde rechtsoverweging heeft het hof onder meer overwogen dat wanneer de strafrechtelijke veroordeling van [appellant] in verband met het incident op 3 december 2016 in stand is gebleven, daarmee in beginsel vast staat dat hij zich tegenover [betrokkene] heeft misdragen op een wijze die een tekortkoming inhoudt van zijn verplichting als huurder om zich jegens zijn buren te onthouden van overlast en fysiek geweld, zeker gelet op de afspraken die tussen [appellant] en Trudo zijn gemaakt naar aanleiding van eerdere incidenten, zoals in het tussenarrest in 3.1 onder c) vermeld. Voor dat geval heeft het hof geoordeeld dat eventuele tekortkomingen van Trudo bij afwikkeling van klachten van [appellant] daar niet aan afdoen, terwijl het woonbelang van [appellant] niet opweegt tegen diens tekortkoming.
6.4
Het hof overweegt hierover het volgende. Trudo heeft gelijk dat de door het hof bedoelde situatie zich thans voordoet. Ook in hoger beroep is [appellant] veroordeeld vanwege de mishandeling van [betrokkene] op 3 december 2016 en is zijn beroep op noodweer(exces) verworpen. Dat de akte tot cassatie enig vervolg heeft gehad is gesteld noch gebleken, terwijl er tussen die akte en het moment waarop [appellant] deze heeft overgelegd inmiddels ruim een jaar is verstreken. Het hof gaat daarom uit van de gang van zaken zoals vastgesteld in het arrest in de strafzaak, dat een bevestiging behelst van de stellingen van Trudo over het incident op 3 december 2016 en de rol van [appellant] daarbij. [appellant] betwist bovendien niet dat hij [betrokkene] heeft geslagen.
6.5
Grief I van [appellant] , die betrekking heeft op zijn rol bij de incidenten in 2011 en 2016, wordt verworpen aangezien het laatste incident - gelet ook op de tussen partijen gemaakte afspraken naar aanleiding van het incident op 3 oktober 2015 - een tekortkoming in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst oplevert die de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen rechtvaardigt. Hetgeen [appellant] in dit verband verder naar voren heeft gebracht is onvoldoende voor een beroep op de tenzij-bepaling van artikel 6:265 lid 1 BW Pro zodat ook grief III, die daarop ziet, wordt verworpen.
6.6
Zoals in het tussenarrest reeds aangekondigd is het hof van oordeel dat eventuele tekortkomingen van Trudo bij afwikkeling van klachten van [appellant] daar niet aan afdoen, zodat grief II eveneens faalt. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over zijn woonbelang, ten slotte, weegt niet op tegen diens tekortkoming, zodat ook grief IV die daarop betrekking heeft, faalt. Het hof kan zich vinden in het oordeel van de kantonrechter hierover en sluit zich daarbij aan.
6.7
Nu alle grieven zijn verworpen, zal het vonnis van 3 augustus 2017 worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep.

7.De uitspraak

Het hof:
bekrachtigt het vonnis van 3 augustus 2017 waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van Trudo begroot op € 716,= aan griffierecht, op € 1.611,= aan salaris advocaat
en wat betreft de nakosten op € 131,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel € 199,= vermeerderd met de explootkosten indien betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit arrest tot aan de voldoening;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, I.B.N. Keizer en M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 juli 2019.
griffier rolraadsheer