Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg (inclusief het proces-verbaal van de mondelinge behandeling) en producties, ingekomen ter griffie op 8 februari 2019;
- het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 april 2019;
- het met een V8 formulier en een faxbericht ingediende verzoek tot gewijzigde lezing van het petitum in hoger beroep, ingekomen ter griffie op 26 april 2019;
- de op 19 juni 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord:
3.De beoordeling
“Over de schuld wordt 4% rente berekend. Omtrent aflossingen en zekerheden zijn geen nadere afspraken gemaakt.”.Nu [verweerster] niet heeft aangevoerd dat zij gehouden was om deze schuld binnen een jaar af te lossen en uit de jaarrekening blijkt dat daarover geen afspraken zijn gemaakt, is het hof van oordeel dat er geen grond is om de schuld aan [de vennootschap 2] aan te merken als schuld met een resterende looptijd van hooguit een jaar. [verweerster] heeft verwezen naar een schriftelijke verklaring van mr. [medewerker accountantskantoor] van haar accountantskantoor van 2 april 2019 (productie 4 bij verweerschrift in hoger beroep), maar daaruit blijkt niets van de looptijd van deze schuld. In die verklaring wordt over dit onderwerp het volgende vermeld:
“In het kader van volledige transparantie hebben wij bijgevoegd een pagina van het jaarrapport 2016/2017 van [verweerster] . De schuld is in 2017 verder opgelopen met € 40.429 naar € 60.068 per ultimo 2017. [de vennootschap 2] fungeert al vanaf de start van de onderneming als ‘zakelijke bankier’ van [verweerster] , vandaar ook de verplichte rente over kalenderjaar 2017 ad € 1.734. Aflossing van deze schuld zal zeer zeker niet meer (geheel) plaats kunnen vinden helaas.”. [verweerster] heeft de bij de verklaring horende bijlage(n) niet overgelegd. Uit deze verklaring blijkt niets van afspraken over een terugbetalingstermijn. [verweerster] heeft daarover ook niets gesteld. In eerste aanleg heeft [verweerster] voor wat betreft dit onderwerp verwezen naar een verklaring van voornoemde mr. [medewerker accountantskantoor] van 23 maart 2018 (onderdeel van productie 3 bij het inleidende verzoekschrift). Kennelijk doelt [verweerster] op een e-mail van die datum met bijlage, maar ook daarin wordt niets vermeld over een terugbetalingstermijn. Dat het door [verweerster] ingeschakelde accountantskantoor een gerenommeerd kantoor is, zoals [verweerster] heeft aangevoerd, neemt niet weg dat [verweerster] niet concreet is ingegaan op het argument van [appellant] dat de schuld aan [de vennootschap 2] niet als kortlopende schuld moet worden aangemerkt. [appellant] heeft aangevoerd dat wanneer die schuld niet als kortlopende schuld wordt aangemerkt, dan niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 24 lid 2 sub c van Pro de Ontslagregeling. [verweerster] heeft dat niet betwist, zodat ook het hof daarvan uitgaat en overigens acht het hof dat feitelijk correct.