ECLI:NL:GHSHE:2019:2000
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid huurder voor huurachterstand na vertrek uit woning
Appellante en geïntimeerde 2 huurden samen een woning van Stichting Woongoed. Na vertrek van appellante uit de woning in de zomer van 2016 bleef zij volgens Woongoed hoofdelijk aansprakelijk voor de huur, omdat zij de huur niet zelfstandig kon opzeggen zonder instemming van Woongoed en medehuurder.
De kantonrechter had de huurovereenkomst ontbonden, ontruiming bevolen en appellante veroordeeld tot betaling van de huurachterstand en maandelijkse huurpenningen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij de woning had verlaten en niet langer aansprakelijk kon zijn, verwijzend naar artikel 7:267 lid 5 BW Pro, maar zij kon niet aantonen dat de huurovereenkomst was beëindigd of dat Woongoed instemming had gegeven voor haar vertrek.
Het hof oordeelde dat appellante niet-ontvankelijk was in haar beroep tegen geïntimeerde 2 en dat de hoofdelijkheid voortvloeide uit de toepasselijke algemene voorwaarden van Woongoed. De huurovereenkomst was niet geëindigd door haar vertrek en de vordering tot betaling van de huurachterstand was terecht toegewezen. Appellante werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat appellante hoofdelijk aansprakelijk houdt voor de huurachterstand en veroordeelt haar in de proceskosten.