ECLI:NL:GHSHE:2019:1885

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 mei 2019
Publicatiedatum
21 mei 2019
Zaaknummer
200.208.151_01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 719 oud BW
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongestoord recht op buurweg volgens artikel 719 oud BW

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of een buurweg gedeeltelijk was opgeheven en of appellante het recht had om deze te gebruiken. Het hof oordeelde dat de bewijslevering door geïntimeerde ontbrak en dat de buurweg onverminderd bleef bestaan. Hierdoor werd het recht van appellante op de buurweg bevestigd volgens artikel 719 (oud) BW.

Daarnaast vorderde appellante betaling van buitengerechtelijke incassokosten, maar het hof wees deze af omdat de gevorderde kosten onvoldoende waren onderbouwd en betrekking hadden op verrichtingen die onder proceskosten vielen. Verder werd geïntimeerde veroordeeld in de kosten van beide instanties, aangezien hij grotendeels in het ongelijk werd gesteld.

Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de rechtbank Oost-Brabant en sprak het recht uit dat appellante het onbeperkte en ongestoorde recht op de buurweg bezit, inclusief het recht om via de percelen aan de achterzijde naar de openbare weg te gaan. De proceskosten werden vastgesteld en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Appellante bezit het onbeperkte en ongestoorde recht op de buurweg en geïntimeerde wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.208.151/01
arrest van 21 mei 2019
in de zaak van
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. R.A.F. Willems te ’s-Hertogenbosch,
tegen:

1.[geïntimeerde 1] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. I.C.M. Janssen te Veghel.
als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 29 januari 2019 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, onder zaak-/rolnummer C/01/302974 / HA ZA 15-895 tussen partijen gewezen vonnis van 2 november 2016.

5.Het verdere verloop van het geding

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 29 januari 2019;
- de akte van [geïntimeerde 1] van 26 februari 2019;
- de antwoordakte van [appellante] van 26 maart 2019 met eiswijziging.
Partijen hebben arrest gevraagd.

6.De verdere beoordeling

6.1
Bij tussenarrest van 29 januari 2019 heeft het hof [geïntimeerde 1] in de gelegenheid gesteld bij akte te laten weten:
  • of en zo ja op welke wijze hij wenst te bewijzen dat alle gerechtigden tot de buurweg op enig moment hebben ingestemd met het vervallen van de buurweg voor zover gelegen op de percelen met aflopende huisnummers naast [adres 1] (r.o. 3.8);
  • uitsluitsel te geven over de vraag of hij al dan niet nog eigenaar is van [adres 1] (r.o. 3.9).
6.2
Naar aanleiding hiervan heeft [geïntimeerde 1] laten weten af te zien van bewijslevering en sinds 16 januari 2018 geen eigenaar meer te zijn van perceel [adres 1] . [appellante] heeft daarop onderdeel 2) van haar vordering, inzake de verwijdering van obstakels, ingetrokken.
Onderdeel 1)
6.3
In rechtsoverweging 3.8 van het tussenarrest van 29 januari 2019 heeft het hof als voorlopige conclusie vermeld dat de buurweg ten aanzien van [adres 2] is blijven bestaan en dat onderdeel 1) van de vordering van [appellante] in beginsel, behoudens bewijslevering door [geïntimeerde 1] , toewijsbaar is. Van bewijslevering is afgezien, zodat dit onderdeel zal worden toegewezen.
Onderdeel 2)
6.4
Dit onderdeel is ingetrokken zodat dit geen verdere bespreking behoeft.
Onderdeel 3)
6.5
[appellante] vordert bij dit onderdeel hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] tot betaling van een bedrag van € 925,= aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente. [geïntimeerde 1] heeft deze vordering bestreden, onder meer met het argument dat geen werkzaamheden zijn verricht die toewijzing hiervan rechtvaardigen. Naar aanleiding hiervan heeft [appellante] bij schriftelijk pleidooi (punt 34) verwezen naar haar memorie van grieven (punt 68), waarin wordt verwezen naar de inleidende dagvaarding (punt 52 en 53), waarin wordt verwezen naar de daarin vermelde correspondentie. Hiermee is kennelijk gedoeld op de correspondentie die in die dagvaarding onder 19-26 is vermeld. Deze correspondentie biedt naar het oordeel van het hof onvoldoende basis voor dit onderdeel van de vordering van [appellante] , aangezien [appellante] hiermee heeft niet onderbouwd dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan zij vergoeding vordert moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskosten een vergoeding plegen in te houden. Dit onderdeel wordt daarom afgewezen.
Onderdeel 4)
6.6
Volgens [geïntimeerde 1] dient in ieder geval de proceskostenveroordeling in eerste aanleg in stand te blijven omdat, kort gezegd, de vordering van [appellante] in hoger beroep is gewijzigd. Op zich is dat juist, maar de strekking van de vorderingen van [appellante] is steeds te bewerkstelligen dat zij opnieuw ongehinderd de beschikking zou krijgen over de buurweg aan de achterzijde van haar perceel. Daarin is de kern van de vorderingen van [appellante] gelegen en wat dat betreft wordt [appellante] nu alsnog in het gelijk gesteld. Dit betekent dat [geïntimeerde 1] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.
Conclusie
6.7
De drie grieven van [appellante] slagen in zoverre dat de onderdelen 1) en 4) worden toegewezen, onderdeel 2) niet langer aan de orde is en onderdeel 3) wordt afgewezen. De grieven behoeven verder geen afzonderlijke bespreking. Het vonnis van 2 november 2016 zal voor de duidelijkheid geheel worden vernietigd.

7.De uitspraak

Het hof:
vernietigt het vonnis van 2 november 2016 waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:
verklaart voor recht dat [appellante] het onbeperkte en ongestoorde recht op een buurweg bezit in de zin van artikel 719 (oud) BW, inhoudende dat zij, net als [geïntimeerde 1] en [betrokkene] , gerechtigd is om aan de achterzijde van de percelen [adres 1] , [adres 3] en volgende via de percelen [adres 1] en [adres 3] te komen van en te gaan naar de openbare weg;
veroordeelt [geïntimeerde 1] hoofdelijk in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [appellante] begroot op € 96,15 aan kosten dagvaarding, € 285,= aan griffierecht en op € 904,= aan salaris advocaat in eerste aanleg, en op € 97,31 aan kosten dagvaarding, op € 313,= aan griffierecht en op € 2.685,= aan salaris advocaat (tarief II) in hoger beroep, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dit arrest tot aan de dag van voldoening en, wat betreft de nakosten op € 131,=, te verhogen met € 68,= ingeval van betekening;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 mei 2019.
griffier rolraadsheer