Uitspraak
1.Het arrest van 20 november 2018
2.Het geding in verzet
3.De beoordeling
primairdat [geopposeerde] in eerste aanleg heeft erkend dat hij een vordering op haar had van (€ 11.547,-- / 2) € 5.773,74. Op die erkenning kon zij in hoger beroep niet teruggekomen. Het hof is daarom ten onrechte ingegaan op haar stellingen daarover.
- de conclusie, naar het hof begrijpt, van eis in reconventie, randnr. 3;
- bij repliek (randnrs. 6 en 7) wees [opposant] op de erkenning door [geopposeerde] en concludeerde hij dat zijn vordering € 5.773,74 bedroeg. Bij dupliek is [geopposeerde] niet op haar erkenning teruggekomen;
- in de memorie van, naar het hof begrijpt, grieven stelt [geopposeerde] : “De erkenning van de vrouw, van een groot deel van de vordering van de man, is door haar gedaan in de veronderstelling dat haar vorderingen, waaronder de door haar betaalde huishoudelijke lasten, zouden worden gecompenseerd met de vorderingen van de man.”
hofstelt het volgende voorop. Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of [opposant] een vordering heeft op [geopposeerde] vanwege door hem verrichte aflossingen (ter grootte van € 11.547,--) op de hypothecaire geldlening waartoe beide partijen (hoofdelijk) waren verbonden in de periode van 23 juni 2015 tot 29 juni 2017.
het hofhet volgende voorop. Artikel 154 Rv Pro bevat bepalingen over de gerechtelijke erkentenis:
Aan de aflossing van de hypotheek dient [geopposeerde] de helft voor haar rekening te nemen(curs. hof). Dat resulteert in een bedrag ad € 4.027,50. [geopposeerde] dient dus in totaal aan hypotheekrente en aflossing een bedrag ad € 6.709,17 aan [opposant] te betalen.”
,p. 117). Een verwachting over de kans van slagen van een gerechtelijke procedure – die vervolgens niet wordt waargemaakt – en waarvan hier sprake is, is geen misverstand zoals bedoeld in art. 154 Rv Pro maar juist een aanname van de zijde van [geopposeerde] .
- door [opposant] betaalde kosten van de huishouding € 14.779,31
- door [geopposeerde] betaalde kosten van de huishouding
- totaal € 20.005,81
- aandeel [opposant] in totale kosten 2/3 deel € 13.337,21
- door [opposant] betaalde kosten
- te veel door [opposant] voldaan € 1.442,10
hofkomt thans tot de beoordeling van de vraag of de vordering van [opposant] voor de post afrekening van de huishoudelijke kosten, kan worden toegewezen. Het hof zal hiertoe de afzonderlijke bestanddelen van die post bespreken.
[geopposeerde]betoogt in eerste aanleg dat zij slechts gedurende de samenwoning gehouden is een bijdrage te leveren aan de hypotheekrente.
[opposant]daarentegen heeft gesteld (conclusie van repliek in conventie randnrs. 9 en 10) dat deze lasten gezamenlijk moeten worden gedragen omdat i) [geopposeerde] de woning heeft verlaten en hij noodgedwongen is achtergebleven en ii) partijen de lasten van de woning alleen gezamenlijk konden dragen.
hofis van oordeel dat, nu beide partijen eigenaar waren van de woning en hoofdelijk verbonden waren voor de aan die woning verbonden hypothecaire geldlening, hetgeen ook nog het geval was na het vertrek van [geopposeerde] uit de woning, zij beiden draagplichtig zijn voor de hypotheekrente.
hofoverweegt als volgt.
[opposant]heeft als productie 10 bij dagvaarding in eerste aanleg een aanslag van BsGW over het belastingjaar 2017 overgelegd. De twee vorderingen BsGW zijn door hem, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, niet op andere wijze onderbouwd en evenmin toegelicht.