In deze civiele procedure staat centraal of appellante een geldlening van in totaal €3.500,- heeft ontvangen van geïntimeerde, haar broer. Geïntimeerde vordert betaling van dit bedrag vermeerderd met rente en kosten, gebaseerd op een door hem overgelegde schuldbekentenis. Appellante betwist het bestaan van de lening en ontkent de echtheid van de schuldbekentenis, inclusief de handtekeningen.
De kantonrechter heeft in eerste aanleg geoordeeld dat geïntimeerde voldoende bewijs heeft geleverd voor een lening van €3.500,-, waarna appellante hoger beroep instelde met drie grieven tegen dit vonnis. Het hof acht het noodzakelijk een handschriftkundige te benoemen om de authenticiteit van de schuldbekentenis en de handtekeningen te onderzoeken.
De handschriftkundige zal vragen beantwoorden over de waarschijnlijkheid dat de handtekeningen en de tekst afkomstig zijn van appellante. De kosten van het deskundigenonderzoek komen voor rekening van geïntimeerde, die de bewijslast draagt voor de echtheid van de schuldbekentenis. Het hof verwijst de zaak naar de rol van 16 april 2019 voor nadere schriftelijke uitlatingen van partijen en houdt verdere beslissing aan.