Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 24 juli 2018 waarbij het hof gelegenheid voor pleidooi heeft geboden;
- het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd en [directeur van VCA] namens VCA en [vertegenwoordiger namens PPL] namens PPL nadere inlichtingen hebben verstrekt.
6.De beoordeling
Primair
het” nogmaals aan [directeur van PPL] , directeur van PPL moest voorleggen en dat de definitieve bevestiging van [directeur van PPL] zou komen. Hieruit moest [directeur van VCA] naar het oordeel van het hof redelijkerwijs afleiden dat voor wilsovereenstemming met PPL over de exclusiviteit een uitdrukkelijke bevestiging van [directeur van PPL] nodig was. Niet gesteld of gebleken is dat VCA die bevestiging van [directeur van PPL] heeft gekregen.
non-exclusive distributor in the Netherlands (the Territory)” zou zijn. [directeur van VCA] heeft op dit concept gereageerd op 13 juli 2009, maar heeft daarbij, anders dan VCA stelt, niet geprotesteerd tegen het ontbreken van exclusiviteit in de door VCA bedoelde zin. [directeur van VCA] schreef immers “
Dit is voor ons een soort wurgcontract en waar wij om gevraagd, hebben betreft het niet benaderen van klanten staat er niet in”. Zijn reactie betreft dus het benaderen door PPL van klanten van VCA, en niet de positie van VCA als exclusieve distributeur voor de Nederlandse markt in de betekenis die VCA daaraan in dit geding geeft. In het licht van de door [directeur van PPL] op 3 juli 2009 toegezonden concept overeenkomst kan aan de passage in de mail van [medewerker van PPL] aan [directeur van VCA] van ruim een maand later (van 12 augustus 2009, laatste blad van productie 32 bij dagvaarding in eerste aanleg) “
Wij hebben jou exclusiviteit gegeven” redelijkerwijze niet de ruime betekenis worden toegekend die VCA eraan wil toekennen. Het gaat hier kennelijk om het niet rechtstreeks benaderen door PPL van klanten van VCA.
zoals je in Nederland doet”), aan welke zinsnede volgens punt 22 van de pleitnota in hoger beroep van VCA de betekenis moet worden toegekend dat voor België hetzelfde zou gelden als voor Nederland. Nu het hof in het bovenstaande heeft geoordeeld dat voor Nederland geen exclusiviteit in de door VCA bepleite zin was overeengekomen geldt dat oordeel ook voor België, bij gebrek aan feiten in de stellingen van VCA die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
komt” voor, onder meer, het “
garantie-verhaal”, en dus niet gerefereerd aan een reeds in juli 2008 gemaakte afspraak over dit onderwerp waarvan hij vastlegging wilde. Gezien deze omstandigheden faalt ook dit betoog van VCA.