In deze civiele procedure staat de vaststelling van een redelijke prijs voor verbouwings- en onderhoudswerkzaamheden centraal tussen een aannemer en een cafébedrijf. Het geschil betreft onder meer de vraag of de door de aannemer gefactureerde bedragen redelijk en daadwerkelijk gemaakt zijn.
Het hof bevestigt dat de aannemer één scherm en een complete Bose-installatie heeft geplaatst, en dat een deel van de gefactureerde onderhoudskosten over 2007 en 2008 toewijsbaar is. De aannemer slaagt er echter niet volledig in te bewijzen dat alle uren en materialen daadwerkelijk en redelijkerwijs zijn besteed, maar wel grotendeels.
Bij de bepaling van de redelijke prijs voor de verbouwingswerkzaamheden weegt het hof mee dat de indicatieofferte was gebaseerd op summiere informatie en dat de aannemer een facturatiepatroon hanteerde waarbij termijnen gefactureerd en betaald werden zonder specificatie. Dit wekte bij de opdrachtgever de redelijke verwachting dat de prijs niet veel hoger zou uitvallen dan de gefactureerde termijnen.
Het hof stelt de redelijke prijs voor de verbouwingswerkzaamheden vast op €175.000,00, een bedrag dat reeds is betaald, en wijst de vordering daarvoor af. De aannemer krijgt echter alsnog een bedrag van €40.853,51 toegewezen voor onderhoudswerkzaamheden, vermeerderd met btw en wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum van de facturen. De kosten van het hoger beroep worden deels gecompenseerd.