Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
9.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 16 oktober 2018;
- de akte na tussenarrest van [appellante] .
10.De verdere beoordeling
- a) Op 28 oktober 2005 is overleden de heer [de erflater] (verder: de erflater), de vader van [appellante] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (gezamenlijk verder: [de kinderen van erflater c.s.] ), en de toenmalig levenspartner van [geïntimeerde] .
- b) De erflater heeft over zijn nalatenschap beschikt bij testament van 11 mei 2004. Hierin heeft de erflater [geïntimeerde] tot zijn enige erfgenaam benoemd en heeft hij aan zijn kinderen, [de kinderen van erflater c.s.] , een bedrag in contanten gelegateerd gelijk aan ieders legitieme portie in de nalatenschap en tevens bepaald dat het legaat pas opeisbaar is bij overlijden van [geïntimeerde] , en bij verschillende omstandigheden van financiële aard die zich thans niet voordoen.
- c) De erflater heeft in zijn testament voorts bepaald dat de vaststelling van de grootte van het legaat en de waardering van de goederen en schulden van de nalatenschap moet geschieden in onderling overleg. [geïntimeerde] is benoemd tot executeur van de nalatenschap.
- d) Partijen zijn er tot op heden niet in geslaagd om overeenstemming te bereiken over de bepaling van de omvang van de nalatenschap en de waardering van de legaten.
- e) Op 16 mei 2012 is ten overstaan van notaris [notaris] te [standplaats] een boedelbeschrijving opgemaakt, voorzien van een vermelding van de door [geïntimeerde] afgelegde eed als bedoeld in artikel 674 sub Pro 7 Rv.
- f) [de kinderen van erflater c.s.] betwisten de juistheid van de door [geïntimeerde] opgemaakte notariële boedelbeschrijving.
- I. vaststelling van de verdeling van de nalatenschap, zoals verwoord in de inleidende dagvaarding;
- II. een verklaring voor recht dat de onroerende zaak aan [adres 1] te [plaats 1] onderdeel uitmaakt van de nalatenschap en dat hieraan een waarde wordt toegekend van € 900.000,--;
- III. een verklaring voor recht dat de omvang van de nalatenschap is als omschreven in de inleidende dagvaarding, en vaststelling van de legitieme portie van [de kinderen van erflater c.s.] waarop [de kinderen van erflater c.s.] na het overlijden van [geïntimeerde] aanspraak kunnen maken;
- IV. veroordeling van [geïntimeerde] om onder overlegging van bescheiden een opgave te doen van alle activa en passiva van de nalatenschap, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
- Vordering I in conventie is niet toewijsbaar omdat geen sprake is van een gemeenschap waarvan [de kinderen van erflater c.s.] de verdeling kunnen vorderen. [geïntimeerde] is immers de enige erfgenaam van de erflater en [de kinderen van erflater c.s.] zijn slechts legatarissen (rov. 3.2 en 3.3). Voor zover [de kinderen van erflater c.s.] uitkering hebben willen vorderen van de aan hen toekomende legaten is ook die vordering niet toewijsbaar. De vorderingen uit de legaten zijn volgens het testament immers nog niet opeisbaar (rov. 3.4).
- Vordering II in conventie is niet toewijsbaar omdat de woning aan [adres 1] te [plaats 1] op 11 mei 2004, dus ruim vóór het overlijden van erflater, aan [geïntimeerde] is verkocht en geleverd. De woning behoorde op het moment van het overlijden van de erflater dus niet tot het vermogen van erflater (rov. 3.5).
- In verband met vordering III in conventie en de vordering in reconventie moet worden bepaald wat de omvang van de nalatenschap was op het moment van overlijden van de erflater en wat de waarde van de nalatenschap op dat moment was (rov. 3.6 en 3.7).
- de woning te [plaats 1] en de daarvoor ontvangen verkoopprijs (rov. 3.8);
- de woning te [plaats 2] en de daarmee verband houdende hypotheekschuld (rov. 3.9 en 3.10);
- de woning te [plaats 3] en de daarmee verband houdende hypotheekschuld (rov. 3.11);
- de door [de kinderen van erflater c.s.] genoemde “diverse vorderingen die [geïntimeerde] zou hebben verstrekt aan erflater” (rov. 3.12);
- de handelsvoorraad die aanwezig is geweest (rov. 3.13);
- de verkoopopbrengst van de woning te [plaats 1] (rov. 3.14 tot en met 3.16);
- de door [de kinderen van erflater c.s.] gestelde “diverse schulden, diverse bankrekeningen en diverse boedelgoederen” (rov. 3.17);
- een vordering die [geïntimeerde] op de nalatenschap stelt te hebben in verband met een door haar aan erflater verstrekte geldlening (rov. 3.19).
- Tegenover de activa van de nalatenschap, bestaande uit de woning te [plaats 2] en de woning te [plaats 3] , staan in ieder geval de met die woning samenhangende hypotheekschulden en de schuld uit de door [geïntimeerde] aan erflater verstrekte geldlening. Dit brengt mee dat het saldo van de nalatenschap, ook indien eventuele andere schulden van de nalatenschap buiten beschouwing worden gelaten, negatief is (rov. 3.21).
- De in conventie sub III gevorderde verklaring voor recht kan dus niet worden toegewezen (rov. 3.22).
- Omdat het saldo van de nalatenschap negatief is, moeten de aanspraken van [de kinderen van erflater c.s.] uit de legaten op nihil worden gesteld (rov. 3.23).
- Vordering IV in conventie moet worden afgewezen omdat [de kinderen van erflater c.s.] onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat [geïntimeerde] geen opgave heeft gedaan van alle activa en passiva van de nalatenschap (rov. 3.25).
- de waarde van de aanspraken van [de kinderen van erflater c.s.] uit hoofde van de ten behoeve van hen in het testament opgenomen legaten op nihil vastgesteld;
- [de kinderen van erflater c.s.] in de proceskosten veroordeeld;
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
- vernietiging van het bestreden vonnis in conventie en in reconventie;
- het alsnog geheel toewijzen van de vorderingen van [appellante] in conventie;
- het geheel afwijzen van de vordering van [geïntimeerde] in reconventie;
‘sprake van een benadelingshandeling aan de zijde van [geïntimeerde] – hetgeen een onrechtmatige daad oplevert’. [appellante] concludeert dat om die reden een waarde van € 600.000,-- in de boedelbeschrijving dient te worden betrokken.
- De woning is in juli 2003 door 3W Bedrijfsmakelaardij bv te [vestigingsplaats] getaxeerd op € 675.000,-- (prod. 2 bij conclusie van antwoord in conventie).
- De (blote eigendom van de) woning is op 11 mei 2004 (tevens de dag waarop erflater zijn testament heeft gemaakt) door de erflater verkocht en geleverd aan [geïntimeerde] voor een koopsom van € 391.500,--, onder voorbehoud van een recht van vruchtgebruik door de erflater (prod. 2A bij de conclusie van antwoord in conventie). Erflater was op dat moment 72 jaar oud.
- [geïntimeerde] heeft de woning enkele jaren na het overlijden van de erflater verkocht en op 15 augustus 2008 overgedragen aan een derde voor een koopsom van € 738.000,-- (prod. 3 bij conclusie van antwoord in conventie);
- [appellante] heeft als productie 8 bij de memorie van grieven een uitdraai van internet overgelegd betreffende de woning, waarbij een vraagprijs is vermeld van € 795.000,--. Het hof leidt uit de datering die bovenaan de uitdraai staat af dat dit een vraagprijs van eind 2007 betreft, kennelijk toen [geïntimeerde] de woning te koop had gezet.
‘dat tot de nalatenschap behoort een bedrag van € 250.000,--., zijnde (ongeveer) de opbrengst van de woning in [plaats 1] die op of omstreeks 13 mei 2004 is gestort op een Belgische bankrekening van erflater en enkele dagen later contant is opgenomen.’
- Volgens de notariële afrekening van de overdracht van de woning aan [geïntimeerde] op 11 mei 2004, kwam ter zake die overdracht aan de erflater, na voldoening van de hypotheekschuld van € 120.596,63 en enkele bijkomende kosten, een bedrag toe van € 269.264,51 (prod. 2A bij de conclusie van antwoord in conventie).
- Op 13 mei 2004 is op de KBC-Zichtrekening van erflater met nummer [KBC-Zichtrekeningnummer] een bedrag van € 247.401,15 bijgeboekt (onderdeel van prod. 8c bij conclusie van repliek in conventie).
- Op 16 mei 2004 is van diezelfde rekening € 247.000,-- contant opgenomen (onderdeel van prod. 8c bij conclusie van repliek in conventie);
- Op 18 mei 2004 heeft de erflater voor € 25,39 brandstof getankt.
- dat de erflater enkele dagen na 18 mei 2004 telefonisch contact heeft opgenomen met haar met de mededeling dat hij met zijn auto achter [plaats 4] zonder brandstof was komen stil te staan;
- dat [appellante] toen in het begin van de avond brandstof is gaan brengen en ter plaatse in de auto van erflater vier personen aantrof, te weten erflater, [geïntimeerde] , en de heer en mevrouw [kennissen van de erflater] (kennissen van erflater).
- dat [geïntimeerde] en erflater een overeenkomst van geldlening hebben gesloten;
- dat erflater wegens van [geïntimeerde] ontvangen gelden fl. 700.000,-- schuldig is aan [geïntimeerde] ;
- dat leningdeel I ad fl. 400.000,-- is geleend ten behoeve van de aankoop van het woonhuis [adres 2] te [plaats 3] (hof: welke woning door de rechtbank tot de nalatenschap van de erflater is gerekend);
- dat leningdeel II ad fl. 300.000,-- door de erflater is doorgeleend aan [appellante] ten behoeve van de aankoop door haar van een woning te [woonplaats] (hof: de huidige woning van [appellante] );
- dat de lening is aangegaan voor onbepaalde tijd;
- dat de over de lening verschuldigde rente 6% per jaar bedraagt.
- a. de bij de ABN-Amrobank aangehouden bankrekening die genoemd is in de conclusie van repliek sub 10;
- b. de bij de KBC Bank aangehouden bankrekening die genoemd is in de conclusie van repliek sub 11;
- c. de bij de KBC Bank aangehouden bankrekening die genoemd is in de conclusie van repliek sub 12.