Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2018:880

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 maart 2018
Publicatiedatum
6 maart 2018
Zaaknummer
K16/0464
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Tussenbeschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 SvArt. 11 lid 3 EU-richtlijn 2012/29/EUArt. 51ac Wet van 8 maart 2017
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeschikking over kennisname van stukken in art. 12 Sv-procedure na implementatie EU-richtlijn slachtofferrechten

Op 8 juni 2015 deed klager aangifte wegens mishandeling tegen beklaagde. De officier van justitie besloot de zaak niet te vervolgen vanwege onvoldoende bewijs. Klager diende daarop een klaagschrift in bij het hof met het verzoek tot vervolging.

Het hof behandelde het klaagschrift meerdere malen en hield de zaak aan voor nader onderzoek. De advocaat-generaal adviseerde steeds het beklag af te wijzen. In november 2017 verzocht de advocaat van klager om verstrekking van stukken aan klager zelf, mede vanwege de nieuwe Wet van 8 maart 2017 die de EU-richtlijn 2012/29/EU implementeert en de rechten van slachtoffers versterkt.

Het hof overwoog dat artikel 11 lid 3 van Pro de richtlijn, gecodificeerd in artikel 51ac van de wet, weliswaar informatiegaranties biedt, maar geen recht op ongelimiteerde kennisname van alle stukken. De huidige praktijk waarbij stukken aan klagers worden verstrekt, waaronder het advies van de advocaat-generaal en het ambtsbericht, waarborgt voldoende informatie. Het verzoek om afschriften aan klager zelf te verstrekken werd daarom afgewezen. De zaak werd aangehouden tot een nader te bepalen zitting.

Uitkomst: Het hof oordeelt dat de huidige praktijk van verstrekking van stukken in art. 12 Sv-procedures niet hoeft te worden gewijzigd en wijst het verzoek om afschriften aan klager zelf te verstrekken af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht
Klachtnummer: K16/0464
Tussenbeschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 maart 2018 inzake het beklag ex artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering van:

[klager] ,

wonende te Maastricht,
hierna te noemen: klager,
bijgestaan door mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht,
over de beslissing van de officier van justitie van het arrondissementsparket Limburg tot het niet vervolgen van:

[beklaagde] ,

(voorheen) werkzaam bij de [uitgaansgelegenheid] te Kerkrade,
hierna te noemen: beklaagde,
wegens mishandeling.

De feitelijke gang van zaken.

Op 8 juni 2015 heeft klager tegen beklaagde aangifte gedaan wegens mishandeling.
Bij brief van 25 juli 2016 is door de officier van justitie aan klager bericht dat de zaak niet zal worden vervolgd omdat er onvoldoende bewijs is om duidelijk te krijgen wie klager heeft geslagen en waarom.
Hierop is namens klager bij brief van 30 augustus 2016 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 30 augustus 2016, met het verzoek de vervolging te bevelen.
De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 29 september 2016 het hof geraden het beklag af te wijzen.
Op 13 december 2016 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van klager en zijn advocaat. Bij die gelegenheid heeft het hof de zaak aangehouden voor het laten verrichten van nader onderzoek.
De advocaat-generaal heeft in het aanvullend schriftelijk verslag van 19 oktober 2017 het hof geraden het beklag af te wijzen.
Bij brief van 17 november 2017 heeft de advocaat van klager het hof verzocht de stukken van de zaak in afschrift aan klager te mogen verstrekken.
Op 5 december 2017 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van klager en zijn advocaat. Bij die gelegenheid heeft het hof de zaak aangehouden met verzoek aan de advocaat-generaal om het hof op het bovengenoemde onderwerp schriftelijk van advies te dienen.
De advocaat-generaal heeft in het aanvullend verslag van 8 januari 2018 het hof schriftelijk geadviseerd, welk advies inhoudt dat de huidige wijze van verstrekking van stukken niet in strijd is met Europees recht.

De beoordeling.

In zijn brief van 17 november 2017 wijst de advocaat van klager op de Wet van 8 maart 2017, houdende implementatie van richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ. De advocaat van klager stelt dat deze wet meebrengt dat de verstrekking van stukken in het kader van de art. 12 Sv Pro-procedure vanaf heden anders zou dienen te geschieden dan tot dusver het geval was, te weten door verstrekking van afschriften aan de advocaat of professioneel gemachtigde van de klager in combinatie met een inzagerecht voor de klager.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt:
Artikel 11, derde lid, van genoemde EU-richtlijn – gecodificeerd in artikel 51ac van eerdergenoemde wet – houdt in dat een slachtoffer op zijn verzoek voldoende informatie ontvangt om te kunnen beslissen of hij zal verzoeken om toetsing van een beslissing tot niet-vervolging. Het betreft derhalve nog geen recht op ongelimiteerde kennisname van alle stukken.
Naar het oordeel van het hof is door de wijze waarop kennisname van stukken thans in de art. 12 Sv Pro-procedure plaatsvindt voldoende gewaarborgd dat de rechtstreeks belanghebbende als bedoeld in art. 12 Sv Pro – hetgeen overigens een ruimer begrip is dan enkel het slachtoffer – voldoende informatie ontvangt om te kunnen beslissen of hij zal verzoeken om toetsing van een beslissing tot niet-vervolging. Met name wordt daarin voorzien door verstrekking van een aantal stukken aan de klagers, waaronder het advies van de advocaat-generaal en het ambtsbericht van de Hoofdofficier van justitie.
Voor zover het verzoek van de advocaat van klager in zijn brief van 17 november 2017 behelst dat hij afschriften van de door hem ontvangen processtukken aan klager zou moeten kunnen verstrekken, wordt het derhalve afgewezen.
Het hof zal de zaak aanhouden tot de zitting van
24 april 2018, onder de bepaling dat klager en zijn advocaat op die dag tegen een nader te bepalen tijdstip opnieuw zullen worden opgeroepen.

De beslissing.

Het hof houdt de behandeling van de zaak aan, één en ander zoals hierboven overwogen.
Aldus gegeven door
mr. R.A.T.M. Dekkers, voorzitter,
mr. P.T. Gründemann en mr. M.E.F.H. van Erve, raadsheren
in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras, griffier,
op 6 maart 2018.
Mr. R.A.T.M. Dekkers is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.