Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Vereniging [vereniging] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2.Gemeente Oosterhout,gevestigd te Oosterhout, Noord-Brabant,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/275919 / HA ZA 14-49)
2.Het geding in hoger beroep
- de exploten van dagvaarding in hoger beroep;
- de door [appellant] genomen memorie van grieven in principaal hoger beroep met zeven producties (nrs. 56 tot en met 62);
- de door de gemeente genomen memorie van antwoord in principaal hoger beroep met vier producties (nrs. 36 tot en met 39);
- de door [vereniging] genomen memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;
- de door [appellant] genomen memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met vier producties (nrs. 63 tot en met 66).
3.De beoordeling
- [vereniging] heeft als statutair doel “het kerkdorp [plaats] leefbaar te maken en te houden.” Zij tracht dat doel volgens haar statuten te bereiken door, onder meer, het stimuleren van de onderlinge contacten tussen de bewoners van [plaats] , het oprichten en in stand houden van werkgroepen, het organiseren van activiteiten en het stimuleren van buurthuiswerk.
- De gemeente is sinds 1985 eigenaar van het buurthuis ‘het [buurthuis] ’ (hierna: het [buurthuis] ), gelegen aan de [adres 1] te [plaats] , gemeente Oosterhout.
- De gemeente heeft het [buurthuis] bij overeenkomst van 5 september 1989 aan [vereniging] in gebruik gegeven voor haar activiteiten.
- [appellant] is sinds 1 oktober 2007 eigenaar van de woning aan de [adres 2] te [plaats] . [appellant] is omstreeks die datum met zijn vriendin en minderjarige zoon in de woning gaan wonen. In de woning is ook zijn eenmanszaak gevestigd met de naam [eenmanszaak] . Met die eenmanszaak heeft [appellant] zich toegelegd op de reparatie en verkoop van witgoed.
- [appellant] heeft zijn woning na aankoop daarvan verbouwd en de isolatie van de woning verbeterd.
- Het [buurthuis] was vroeger een schoolgebouw en de woning van [appellant] was de bijbehorende onderwijzerswoning. [appellant] heeft als productie 2 in eerste aanleg twee kaartjes overgelegd waarop het [buurthuis] en de woning van [appellant] zichtbaar zijn. Het bovenste kaartje is ten dele verouderd omdat daarop een uitgevoerde verbouwing nog niet zichtbaar is. Als productie 3 heeft [appellant] enkele foto’s overgelegd waarop het [buurthuis] en zijn woning zichtbaar zijn. Op blz. 29 van de door de gemeente genomen conclusie van dupliek zijn twee luchtfoto’s van het [buurthuis] en de woning afgebeeld.
- Tussen de panden van [appellant] en het [buurthuis] loopt een steeg, die hoort bij het perceel van de gemeente. De steeg geeft toegang tot (de achterzijde van) het perceel.
- Het [buurthuis] bestaat uit een achterzaal, een bovenzaal en een benedenzaal (aan de voorkant van het pand). De benedenzaal is genaamd “café [café] ”, (hierna: [café] ).
- In de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Oosterhout zijn geluidsnormen opgenomen die gelden voor versterkte muziek maar geen geluidsnormen die gelden voor onversterkte muziek.
- Begin 2012 zijn enkele buurt- en dorpshuizen in de gemeente Oosterhout gesloten. Vanaf dat moment zijn meerdere muziekgezelschappen voor hun repetities uitgeweken naar het [buurthuis] .
- Naar aanleiding van klachten van [appellant] over door hem vanuit het [buurthuis] ondervonden geluidsoverlast heeft de burgemeester op 25 september 2012 het houden van muziekrepetities en muziekuitvoeringen in het [buurthuis] verboden. Dat besluit, dat betrekking had op het te gehore brengen van onversterkte muziek, had geen gevolgen voor het ten gehore brengen van versterkte muziek.
- Er is in oktober 2012 een akoestisch onderzoek uitgevoerd door [derde] . Naar aanleiding van dit onderzoek heeft [derde] in een rapport van 10 januari 2013 een aantal maatregelen aanbevolen om [café] geschikt te maken voor het houden van muziekrepetities. Daarop zijn een aantal maatregelen uitgevoerd ter verbetering van de isolatie van [café] . Er is een geluidsbegrenzer aangebracht op de geluidsinstallatie in [café] , waardoor niet meer dan 95 dB(A) geproduceerd kon worden, dit naar aanleiding van een aanbeveling in voormeld rapport van [derde] van 10 januari 2013.
- Daarna zijn er verschillende geluidsmetingen uitgevoerd door verschillende deskundigen, zowel in opdracht van de gemeente als in opdracht van [appellant] . Volgens de deskundigen van de gemeente was er na het nemen van de maatregelen geen overschrijding meer van de geluidsnormen of waren de overschrijdingen zo minimaal dat niet van hinder gesproken kon worden. Volgens de deskundigen van [appellant] was er wel degelijk sprake van relevante overschrijding van de geluidsnormen. De burgemeester van de gemeente heeft het voormelde verbod op 24 juni 2013 opgeheven voor [café] .
- [appellant] is ook daarna blijven klagen over geluidsoverlast. De gemeente is plannen gaan ontwikkelen voor de verbouwing van de achterzaal, met als doel de repetities en evenementen die plaatsvonden in [café] op termijn grotendeels naar de achterzaal te kunnen verplaatsen. In de loop van 2014 is de achterzaal ingrijpend verbouwd, waarbij geluidsisolerende maatregelen zijn getroffen.
- Na het gereed komen van die verbouwing hebben [de vennootschap 1] (hierna: [de vennootschap 1] ) en [de vennootschap 2] (hierna: [de vennootschap 2] , naar aanleiding van afspraken die zijn gemaakt in het kader van de onderhavige procedure in eerste aanleg, geluidsmetingen verricht.
- [appellant] heeft bezwaar ingediend tegen een aantal afwijzingen van de gemeente op zijn verzoeken tot handhaving. Tegen de beslissingen op bezwaar heeft [appellant] ook beroep ingesteld. Bij uitspraak van 16 april 2015, verzonden op 28 april 2015, heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, Afdeling Bestuursrecht, geoordeeld dat het beroep van [appellant] gegrond was en de Gemeente opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. In de uitspraak is overwogen dat niet vaststaat dat de toegepaste geluidsisolerende maatregelen toereikend zijn en dat het, gelet op de ernstige hinder die [appellant] thans reeds ondervindt van onversterkte muziek, niet in de rede ligt om aan het Gemeenschapshuis een horecafunctie toe te kennen.
- Het college van B&W van de gemeente (hierna: het college van B&W) heeft op 1 juni 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 16 april 2015. Bij deze beslissing op bezwaar is het primaire besluit van 22 november 2012 tot weigering van handhavend optreden opnieuw gehandhaafd.
- Op 1 juni 2015 is een nieuwe huurovereenkomst tot stand gekomen tussen de gemeente en [vereniging] . In artikel 1.5 van deze overeenkomst is overeengekomen dat het produceren van onversterkt muziekgeluid uitsluitend is toegestaan in de achterzaal en dat voor het produceren van versterkte muziek de normen gelden zoals vastgesteld in het Activiteitenbesluit milieubeheer.
- De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS) heeft bij uitspraak van 7 oktober 2015 het beroep van [appellant] tegen het besluit van de gemeenteraad van 8 juli 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan “Buitengebied 2013 (incl. Lint [plaats] )” gegrond verklaard. Bij de uitspraak van 7 oktober 2015 heeft de ABRS het besluit van de gemeenteraad vernietigd voor zover het zag op de vaststelling van het plandeel met de bestemming “Maatschappelijk” voor het [buurthuis] . De ABRS heeft de gemeenteraad opgedragen een nieuw plan op te stellen voor dit vernietigde deel. Met betrekking tot het beroep van de gemeenteraad op in het kader van eerdere procedures verrichte geluidsonderzoeken heeft de ABRS geoordeeld dat die niet tijdig in het geding waren gebracht (binnen 10 dagen voor de zitting) en daarom buiten beschouwing werden gelaten.
- Bij besluiten van 21 oktober 2015 en 4 februari 2016 heeft het college van B&W maatwerkvoorschriften in de zin van het Activiteitenbesluit vastgesteld met betrekking tot het [buurthuis] . Na gemaakt bezwaar heeft het college van B&W bij besluit van 17 maart 2016 nieuwe maatwerkvoorschriften vastgesteld met betrekking tot de productie van elektronisch versterkt muziekgeluid.
- Op 3 februari 2016 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, Afdeling Bestuursrecht, uitspraak gedaan op het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van B&W van 20 januari 2015 waarbij het bezwaar van [appellant] tegen de verlening van een omgevingsvergunning aan [vereniging] ongegrond was verklaard. De rechtbank heeft het college van B&W gelast een nieuwe besluit op bezwaar te nemen.
- Ter uitvoering van de uitspraak van de ABRS van 7 oktober 2015 heeft de gemeenteraad op 19 april 2016 het bestemmingsplan “Reparatie herziening buitengebied 2016” vastgesteld. Aan het perceel waarop het [buurthuis] staat, is in dit plan de bestemming “Maatschappelijk” met de aanduiding “specifieke vorm van maatschappelijk -7 (Gemeenschapshuis met ondersteunende horeca)” toegekend. Aan het deel van het perceel waarop [café] is gelegen is de aanduiding “specifieke vorm van maatschappelijk – onversterkte muziek uitgesloten” toegekend. Horeca is hierbij enkel toegestaan indien deze een directe samenhang heeft met de maatschappelijke en culturele activiteiten van de toegestane functie. Zelfstandige horeca, zoals inloopavonden, is hierbij uitdrukkelijk verboden (art. 13.4.2 sub b van de planvoorschriften).
- De ABRS heeft op 28 december 2016 uitspraak gedaan op de hoger beroepen van [appellant] en het college van B&W tegen de uitspraak van de rechtbank van 16 april 2015. De ABRS heeft het hoger beroep van [appellant] ongegrond verklaard en het hoger beroep van de gemeente gegrond verklaard. Volgens de ABRS was ten tijde van de uitspraak van de rechtbank sprake van een in werking getreden omgevingsvergunning die horeca-activiteiten in het [buurthuis] toestond, zodat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden. De rechtbank heeft het college van B&W dus ten onrechte opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank had de rechtsgevolgen van het besluit van 1 november 2013 in stand moeten laten. De ABRS heeft daarom alsnog bepaald dat die rechtsgevolgen in stand blijven. De ABRS heeft daarbij van belang geacht dat het gebruik van het [buurthuis] voor horecadoeleinden in overeenstemming was met het bestemmingsplan “Reparatie herziening buitengebied 2016”, welk bestemmingsplan intussen was vastgesteld en in werking getreden op 8 juli 2016. Met ingang van die datum is het horecagebruik gelegaliseerd en was het college niet bevoegd om ter zake handhavend op te treden (rov. 7). Het hoger beroep van [appellant] tegen de intrekking op 24 juni 2013 van het burgemeestersbevel voor [café] van 25 september 2012 is ongegrond verklaard. Volgens de ABRS heeft de burgemeester in redelijkheid tot de gedeeltelijke intrekking van het bevel kunnen besluiten.
- Op 18 januari 2017 heeft het college van B&W naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 3 februari 2016 een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] tegen de verlening van de omgevingsvergunning aan [vereniging] genomen. Het college heeft besloten de omgevingsvergunning te weigeren omdat op grond van het inmiddels onherroepelijke bestemmingsplan ondersteunende horeca-activiteiten wel mogen plaatsvinden op het perceel, maar zelfstandige horeca-activiteiten zoals inloopavonden niet zijn toegestaan.
- 1. [vereniging] en de gemeente te verbieden café “ [café] ” te exploiteren en daar enige activiteit uit te oefenen, totdat een onderzoek met een hamerapparaat door onafhankelijke deskundigen overtuigend aantoont dat de vloer van café “ [café] ” en de daaraan belendende keuken zodanig zijn geïsoleerd dat er geen (contact)geluid meer hoorbaar of waarneembaar is in de woningkamer en het kantoor van [appellant] ;
- 2. [vereniging] en de gemeente te verbieden geluid te (doen) produceren in het [buurthuis] , door middel van versterkte of onversterkte (live) muziek, die de navolgende normen overschrijden:
- 3. [vereniging] en de gemeente te gelasten de geluidsinstallaties in de verschillende ruimtes van het [buurthuis] te voorzien van verzegelde begrenzers tot de in de dagvaarding genoemde geluidsniveaus en de gemeente te gebieden toe te zien op handhaving van de verzegeling;
- 4. [vereniging] en de gemeente te gebieden een hek te plaatsen ter afsluiting van het gangpad dan wel te gehengen en gedogen dat [appellant] zelf een hekwerk aanbrengt om de gang tussen de panden af te sluiten (op een vluchtveilige wijze);
- 5. [vereniging] en de gemeente hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van € 2.000,-- per overtreding van de gevorderde geboden dan wel niet naleving van de gevorderde geboden, en van € 500,-- per dag dat de overtreding daarna voortduurt;
- 6. de gemeente te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 6.399,18 aan [appellant] vanwege de schade die aan de woning van [appellant] is veroorzaakt door werkzaamheden met een trilplaat in de steeg;
- 7. [vereniging] en de gemeente hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de vermogensschade die [appellant] heeft geleden als gevolg van gederfde omzet en bedrijfsresultaten van zijn eenmanszaak, en van de door [appellant] geleden immateriële schade, nader op te maken bij staat;
- 8. al het door [vereniging] en de gemeente verschuldigde te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis;
- Hoewel de eventuele geluidshinder feitelijk wordt veroorzaakt door [vereniging] , is in een geval waarin de hinder wordt veroorzaakt door onvoldoende isolatie van de vloer en waarin de gemeente beleidsmatig aan het gebouw een bepaalde functie heeft gegeven, de gemeente (tevens) aan te merken als degene die mogelijk hinder toebrengt in de zin van artikel 5:37 BW Pro (rov. 3.5).
- Bij de beoordeling of aan [appellant] onrechtmatige hinder wordt toegebracht, moeten de criteria van artikel 6:162 BW Pro en van de vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden toegepast (rov. 3.7).
- Het enkele feit dat [appellant] geluiden waarneemt uit [café] leidt nog niet tot de conclusie dat sprake is van onrechtmatige hinder. Vast staat dat de door [de vennootschap 2] gemeten waardes van overbrenging van contactgeluid tussen [café] en de woning van [appellant] (op de meeste punten ruimschoots) blijven binnen de door het Bouwbesluit gegeven normen. Op basis van die metingen alleen kan de rechtbank dus niet tot de conclusie komen dat er sprake is van een onrechtmatige mate van hinder (rov. 3.9).
- De laagfrequente (bas)geluiden vanuit [café] , die door [appellant] hoorbaar zijn in zijn woning, zijn niet zodanig frequent en langdurig dat deze als onrechtmatig gekwalificeerd moeten worden. De frequentie waarin deze geluiden voorkomen moet door [appellant] geduld worden, mede gelet op het feit dat de laagfrequente geluiden steeds blijven binnen de normen van het Bouwbesluit en gelet op het feit dat het [buurthuis] reeds als buurthuis in gebruik was toen [appellant] zijn intrek nam in het naastliggende pand. Omdat de contactgeluiden uit [café] niet als onrechtmatige hinder gekwalificeerd kunnen worden, moet vordering 1 afgewezen worden (rov. 3.11).
- Vordering 2 moet worden afgewezen ten aanzien van de bovenzaal en de achterzaal omdat in de stellingen van [appellant] niet te lezen is dat hij nog geluidsoverlast ervaart van geluid uit de bovenzaal en de achterzaal (rov. 3.15).
- De vorderingen 2 en 3 zijn niet toewijsbaar jegens de gemeente. Het gewraakte handelen (het doen produceren van versterkte dan wel onversterkte muziek die tot geluidshinder leidt) is een handelen van [vereniging] en is niet aan de gemeente toe te rekenen (rov. 3.16).
- De rechtbank zal bij de beoordeling van de vorderingen 2 en 3 jegens [vereniging] uitgaan van de huidige situatie (na verbouwing van de achterzaal, waardoor er minder gerepeteerd wordt in [café] ). De vorderingen zijn immers gericht op de toekomst (rov. 3.17).
- Productie van versterkt muziekgeluid in [café] boven een geluidniveau van 90 dB(A) leidt tot een ontoelaatbare mate van geluidsoverlast in de woning van [appellant] . Gezien het feit dat wekelijks versterkte muziek gedraaid wordt in [café] , één keer per maand gerepeteerd wordt in [café] waarbij onversterkte muziek geproduceerd wordt en meerdere keren per jaar evenementen plaatsvinden in het [buurthuis] waarbij ook in [café] versterkte of onversterkte muziek wordt geproduceerd, ook in de nachtperiode, stelt de rechtbank vast dat sprake is van een ontoelaatbare vorm van geluidsoverlast, die als onrechtmatig te kwalificeren valt. Vordering 2 is dus toewijsbaar in die zin, dat [vereniging] verboden wordt geluid te (doen) produceren in [café] dat de norm van 90 dB(A) overschrijdt (rov. 3.22).
- Voor een strengere normering is geen aanleiding (rov. 3.23).
- Vordering 3 is toewijsbaar in zoverre, dat [vereniging] zal worden veroordeeld tot het aanbrengen van een verzegelde geluidsbegrenzer die (minimaal) ingesteld dient te worden op een geluidsniveau van 90 dB(A). Voor het veroordelen van de gemeente tot het handhaven van de begrenzer ontbreekt een rechtsgrond. (rov. 3.24).
- Vordering 5 (om het sub 2 gevorderde verbod en het sub 3 gevorderde gebod te versterken met een dwangsom) is toewijsbaar op de in het dictum van het vonnis te verwoorden wijze (rov. 3.25).
- Vordering 4 ter zake de plaatsing van een hek ter afsluiting van het gangpad is niet toewijsbaar (rov. 3.28).
- Vordering 6 is niet toewijsbaar (rov. 3.31).
- Vordering 7 is niet toewijsbaar voor zover betrekking hebbend op gederfde omzet, omdat aan [vereniging] en de gemeente niet kan worden verweten dat derden negatieve uitlatingen over [appellant] hebben gedaan en omdat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat causaal verband bestaat tussen die negatieve uitlatingen en door [appellant] gederfde omzet (rov. 3.33).
- [appellant] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij immateriële schade heeft geleden als gevolg van onrechtmatige geluidshinder. [vereniging] moet daarom worden veroordeeld tot vergoeding van de door [appellant] geleden immateriële schade, op te maken bij staat (rov. 3.35).
- Op de gemeente rustte niet de plicht om regels op te stellen ter regulering van het ten gehore brengen van onversterkte muziek. De gemeente heeft dus, door na te laten dergelijke regels op te stellen, niet onrechtmatig gehandeld jegens [appellant] (rov. 3.36).
- Voor zover al geoordeeld zou moeten worden dat de gemeente ten onrechte heeft nagelaten om handhavend op te treden tegen de overtreding van de regels met betrekking tot het ten gehore brengen van versterkte muziek, is een causaal verband tussen dat tekortschieten van de gemeente en de door [appellant] geleden immateriële schade niet komen vast te staan. Toezicht- en handhavingsacties op het punt van de versterkte muziek zouden immers geen verandering hebben gebracht in de overlast die [appellant] ondervond door de onversterkte muziek (rov. 3.38 tot en met 3.40).
- [vereniging] verboden geluid te (doen) produceren in [café] van het [buurthuis] door middel van versterkte of onversterkte (live) muziek die de norm van 90 dB(A) overschrijdt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1000,00 per overtreding van dit verbod en per dag waarop deze overtreding voortduurt, tot een maximum van € 20.000,00;
- [vereniging] geboden de geluidsinstallatie in [café] van het [buurthuis] te voorzien van een verzegelde begrenzer en deze (minimaal) in te stellen op een geluidsniveau van 90 dB(A), op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1000,00 per overtreding van dit gebod en per dag waarop deze overtreding voortduurt, tot een maximum van € 20.000,00;
- [vereniging] veroordeeld tot het vergoeden van de door [appellant] als gevolg van onrechtmatige geluidsoverlast geleden immateriële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
- [vereniging] in de proceskosten aan de zijde van [appellant] veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover bij gebreke van betaling binnen 14 dagen na betekening van het vonnis;
- [appellant] in de proceskosten (en nakosten) aan de zijde van de Gemeente veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover bij gebreke van betaling binnen 14 dagen na betekening van het vonnis;
- het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
- zijn vorderingen ten dele zijn afgewezen;
- hij in de proceskosten aan de zijde van de gemeente is veroordeeld.
- dat alsnog een hek wordt geplaatst in het gangpad (vordering 4);
- dat [vereniging] en de gemeente alsnog worden veroordeeld tot vergoeding van de door [appellant] geleden materiële schade, op te maken bij staat (vordering 7 voor wat betreft de materiële schade).
- het bij conclusie van repliek sub 1. gevorderde ( [vereniging] en de gemeente te verbieden café “ [café] ” te exploiteren en daar enige activiteit uit te oefenen, totdat een onderzoek met een hamerapparaat door onafhankelijke deskundigen overtuigend aantoont dat de vloer van café “ [café] ” en de daaraan belendende keuken zodanig zijn geïsoleerd dat er geen (contact)geluid meer hoorbaar of waarneembaar is in de woningkamer en het kantoor van [appellant] );
- het bij conclusie van repliek sub 2a. gevorderde ( [vereniging] en de gemeente te verbieden geluid te (doen) produceren in café “ [café] ” door middel van versterkte of onversterkte (live) muziek, die de navolgende normen overschrijden: in de avond 85 dB(A) en in de nacht 80 dB(A)), dan wel een door het hof te bepalen norm;
- het bij conclusie van repliek sub 3a gevorderde ( [vereniging] en de gemeente te gelasten de geluidsinstallatie in [café] te voorzien van een verzegelde begrenzer tot 80 dB(A), dan wel 85 dB(A) dan wel een door de rechter te bepalen geluidsnorm en de gemeente te gebieden toe te zien op handhaving van de verzegeling.
- dag (7-19 uur): 99 dB(A);
- avond (19-23 uur): 94 dB(A);
- nacht (23-7 uur): 89 dB(A).
- dag (7-19 uur): 99 dB(A);
- avond (19-23 uur): 94 dB(A);
- nacht (23-7 uur): 90 dB(A).
- het in het gebod genoemde geluidsniveau van 90 dB(A) is gebaseerd op de norm voor de nachtperiode tussen 23.00 en 7.00 uur terwijl voor de dag- en avondperiode minder strenge normen gelden;
- geen rekening is gehouden met de mogelijkheid voor het bevoegd gezag om een ontheffing van de geluidsnormen te verlenen (naar het hof begrijpt doelt [vereniging] hier op de dagen van collectieve festiviteiten, genoemd in de toelichting op grief 1).
- in het nieuwe bestemmingsplan de maatschappelijke status van het [buurthuis] is gehandhaafd (hof: waardoor alleen ondersteunende horeca is toegestaan en zelfstandige horeca uitdrukkelijk is verboden);
- het [buurthuis] dus niet beschikt over een reguliere horecavergunning maar uitsluitend over een vergunning voor ondersteunende horeca;
- het [buurthuis] is gebonden aan maatwerkvoorschriften ten aanzien van geluidsproductie;
- de toegestane geluidsproductie van het [buurthuis] ook is genormeerd in de op 1 juni 2015 gesloten nieuwe huurovereenkomst.
- Naar aanleiding van klachten van [appellant] over door hem vanuit het [buurthuis] ondervonden geluidsoverlast heeft de burgemeester op 25 september 2012 het houden van muziekrepetities en muziekuitvoeringen in het [buurthuis] verboden.
- Direct na het uitvaardigen van het repetitieverbod heeft de gemeente aan [derde] gevraagd om in kaart te brengen op welke wijze de geluidsbelasting vanuit het [buurthuis] kon worden teruggebracht.
- De gemeente heeft [café] in 2012 laten verbouwen waarbij geluidsisolerende maatregelen zijn getroffen.
- De gemeente heeft een geluidsbegrenzer laten aanbrengen op de geluidsinstallatie in [café] .
- De gemeente heeft in het voorjaar van 2013 opdracht gegeven aan een aannemer om een onderzoek te doen naar de aanwezigheid van mogelijke constructieve verbindingen tussen het [buurthuis] en de woning van [appellant] . Dergelijke verbindingen werden niet aangetroffen maar de gemeente heeft naar aanleiding van een aanbeveling van de aannemer wel rubberen tegels laten leggen in de steeg om eventueel contactgeluid via de stoeptegels tegen te gaan.
- De gemeente heeft de rapporten die [appellant] door [de vennootschap 2] heeft laten opstellen, laten beoordelen door [de vennootschap 1] .
- In 2014 heeft de gemeente de achterzaal ingrijpend laten verbouwen en extra laten isoleren, zodat de muziekrepetities in [café] , waar [appellant] hinder van ondervond, vervolgens konden worden verplaatst naar de achterzaal.
- De gemeente heeft in 2014 de koelinstallaties waar [appellant] over had geklaagd laten vervangen door fluisterstille installaties.
- De gemeente heeft in 2014 [de vennootschap 3] ingeschakeld om nader uitsluitsel te krijgen over mogelijke contactbruggen tussen beide panden. Die bruggen bleken er niet te zijn.
- Begin 2015 heeft de gemeente geluidsisolerende maatregelen laten treffen in de keuken die aan [café] grenst.
- In de nieuwe huurovereenkomst van 1 juni 2015 heeft de gemeente aan [vereniging] verboden om vanuit [café] nog onversterkte muziek te laten produceren. De gemeenteraad heeft eenzelfde beperking neergelegd in het nu geldende bestemmingsplan.
- De gemeente heeft de productie van versterkt muziekgeluid gebonden aan maatwerkvoorschriften en verzegelde geluidsbegrenzers aangebracht om de naleving van die voorschriften te verzekeren.
- [appellant] heeft zelf de mogelijkheid om naleving van het gebod ter zake de geluidsbegrenzer af te dwingen. Aan het betreffende gebod is immers een dwangsom verbonden, en niet is gesteld of gebleken dat dit verbod met dwangsom onvoldoende effect sorteert.
- Voor zover [appellant] een handhavend optreden van de gemeente wenst staat hem daartoe een bestuursrechtelijke rechtsgang open die voldoende waarborgen biedt.
- dat [vereniging] hem in de media voortdurend heeft weggezet als ‘de boze buurman’ en dat hij daardoor reputatieschade heeft geleden;
- dat zijn woning in waarde is gedaald;
- dat de omzet van de onderneming van [appellant] is gedaald door de negatieve publiciteit over [appellant] ;
- dat de slepende geluidsoverlast [appellant] heeft gehinderd in zijn presteren en dat ook daardoor de omzet van zijn onderneming is gedaald.
- A. door het bij herhaling veroorzaken van ernstige geluidshinder vanuit [café] ;
- B. door het zwartmaken van [appellant] in de media.
- aanvankelijk meermaals per week muziekgroepen in [café] te laten repeteren;
- in de periode waarin de repetities in beginsel naar de achterzaal waren verplaatst, nog een keer per maand een fanfare/orkest in [café] te laten repeteren;
- in [café] wekelijks versterkte muziek te laten afspelen.
4.De uitspraak
- de vorderingen van [appellant] tegen de gemeente zijn afgewezen;
- [appellant] in de proceskosten van de gemeente is veroordeeld;
- [vereniging] in de proceskosten van [appellant] is veroordeeld;
- [vereniging] heeft verboden geluid te (doen) produceren in [café] van het [buurthuis] door middel van versterkte of onversterkte (live) muziek die de norm van 90 dB(A) overschrijdt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1000,00 per overtreding van dit verbod en per dag waarop deze overtreding voortduurt, tot een maximum van € 20.000,00;
- [vereniging] heeft geboden de geluidsinstallatie in [café] van het [buurthuis] te voorzien van een verzegelde begrenzer en deze (minimaal) in te stellen op een geluidsniveau van 90 dB(A), op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1000,00 per overtreding van dit gebod en per dag waarop deze overtreding voortduurt, tot een maximum van € 20.000,00;
- [vereniging] heeft veroordeeld tot het vergoeden van de door [appellant] als gevolg van onrechtmatige geluidsoverlast geleden immateriële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
- dag (7-19 uur): 99 dB(A);
- avond (19-23 uur): 94 dB(A);
- nacht (23-7 uur): 90 dB(A);
- veroordeelt [vereniging] tot betaling van een dwangsom van € 500,-- voor elke overtreding van dit verbod en per dag dat de overtreding voortduurt, en bepaalt dat in verband met dit verbod boven een bedrag van € 15.000,-- geen verdere dwangsommen worden verbeurd;
- gebiedt [vereniging] de geluidsinstallatie in [café] te voorzien van een verzegelde begrenzer en deze in te stellen op:
- een geluidsniveau van 99 dB(A) voor de dag (7-19 uur);
- een geluidsniveau van 94 dB(A) voor de avond (19-23 uur);
- een geluidsniveau van 90 dB(A) voor de nacht (23-7 uur);
- veroordeelt [vereniging] tot betaling van een dwangsom van € 500,-- voor elke overtreding van dit gebod en per dag dat de overtreding voortduurt, en bepaalt dat in verband met dit gebod boven een bedrag van € 15.000,-- geen verdere dwangsommen worden verbeurd;
- veroordeelt [vereniging] tot het vergoeden van de materiële en immateriële schade die [appellant] als gevolg van door [vereniging] veroorzaakte onrechtmatige geluidsoverlast heeft geleden , nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;