ECLI:NL:GHSHE:2018:4772

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
20 november 2018
Publicatiedatum
20 november 2018
Zaaknummer
200.237.042_01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 RvArt. 353 RvArt. 6:51 BWArt. 616 lid 3 sub a en b Rv
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevel tot zekerheidstelling proceskosten in hoger beroep wegens dwaling

In deze civiele zaak in hoger beroep tussen Chinese appellanten en Freedom International Engineering & Trading B.V. e.a. vordert Freedom c.s. zekerheidstelling voor proceskosten op grond van artikel 224 Rv Pro. Appellanten erkennen de verplichting tot zekerheidstelling, maar betwisten de hoogte en wijze van stelling.

Het hof overweegt dat appellanten, gevestigd in China, geen uitzonderingen op de zekerheidstelling toepassen en veroordeelt hen tot zekerheidstelling van €15.827, gebaseerd op griffierecht en een gemotiveerde inschatting van advocaatkosten. De zekerheid kan worden gesteld via een storting op de derdengeldenrekening van de advocaat van Freedom c.s., wat het hof toelaat omdat dit voldoende verhaal biedt.

De termijn voor zekerheidstelling wordt vastgesteld op vier weken na arrest, met twee weken voor acceptatie of weigering door Freedom c.s. De beslissing over proceskosten blijft aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak. Verder wordt de zaak verwezen naar een rolzitting voor het plannen van mondeling pleidooi en worden overige beslissingen aangehouden.

Uitkomst: Appellanten worden veroordeeld tot zekerheidstelling van €15.827 voor proceskosten via storting op de derdengeldenrekening binnen vier weken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.237.042/01
arrest van 20 november 2018
gewezen in het incident tot zekerheidstelling voor proceskosten ex artikel 224 jo Pro artikel 353 Rv Pro in de zaak van

1.[vestigingsnaam] JH Limited,gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings- en kantoorplaats] (China),

2.
[vestigingsnaam] [ZS] Investment CO LTD.,gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings- en kantoorplaats] (China),
appellanten in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat: mr. S.T.J. van der Weiden te ’s-Gravenhage,
tegen

1.Freedom International Engineering & Trading B.V.,gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings- en kantoorplaats] ,

2.
Freedom Real Estate B.V.,gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings- en kantoorplaats] ,
3.
[geintimeerde 3] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat: mr. L.J. van Langevelde te Bergen op Zoom,
op het bij exploot van dagvaarding van 9 maart 2018 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 15 maart 2017 en 13 december 2017, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen appellanten – [appellanten c.s.] – als eisers en geïntimeerden – Freedom c.s. – als gedaagden.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/314293 / HA ZA 16-278)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en naar het daaraan voorafgegane vonnis in incident van 27 juli 2016 en tussenvonnis van 28 september 2016.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis met een productie;
  • de memorie in het incident van Freedom c.s.;
  • de antwoordmemorie in het incident van [appellanten c.s.] met een productie;
  • de memorie van antwoord met producties.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald.

3.De beoordeling

In het incident
3.1.
Freedom c.s. vordert in het incident – samengevat – op grond van artikel 224 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) [appellanten c.s.] te veroordelen tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten tot betaling waarvan zij veroordeeld zou kunnen worden, met veroordeling van [appellanten c.s.] in de proceskosten van het incident. Voor de berekening van het bedrag waarvoor zekerheid gesteld dient te worden kan volgens Freedom c.s. worden uitgegaan van een bedrag van € 5.270,-- aan griffierecht en 6 punten conform liquidatietarief V. Als zekerheidstelling geeft Freedom c.s. de voorkeur aan een zogenaamde afroepgarantie (bankgarantie).
3.2.
[appellanten c.s.] heeft geen verweer gevoerd tegen de incidentele vordering voor zover het betreft de verplichting tot het stellen van zekerheid ten gunste van Freedom c.s., maar verweert zich ten aanzien van de hoogte van de gevorderde zekerheidstelling en de wijze waarop deze dient plaats te vinden. Volgens [appellanten c.s.] dient rekening te worden gehouden met 2 procespunten en dient de zekerheid te worden gesteld middels een storting van het bedrag op de derdengeldenrekening van de advocaat van Freedom c.s., met veroordeling van Freedom c.s. in de proceskosten van het incident, nu het incident onnodig was om zekerheidstelling te verkrijgen.
3.3.
Het hof overweegt het volgende. Krachtens het bepaalde in artikel 224 lid 1 Rv Pro zijn allen die geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland hebben en die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen, verplicht om op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden. Dit is slechts anders indien één van de uitzonderingen, genoemd in het tweede lid van artikel 224 Rv Pro, zich voordoet. Het ligt op de weg van [appellanten c.s.] om het bestaan van deze uitzonderingen gemotiveerd te stellen. In artikel 353 Rv Pro is voorts bepaald dat artikel 224 Rv Pro ook in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, met uitzondering van de in artikel 353 lid 2 Rv Pro omschreven gevallen. Te dezen doet zich geen situatie voor als vermeld in het tweede lid van artikel 353 Rv Pro.
3.4.
Nu vaststaat dat [appellanten c.s.] is gevestigd in China en zij geen beroep heeft gedaan op de uitzonderingen genoemd in het tweede lid van artikel 224 Rv Pro, is de incidentele vordering tot zekerheidstelling toewijsbaar op onderstaande wijze.
3.5.
Ten aanzien van het bedrag waarvoor [appellanten c.s.] zekerheid zal moeten stellen, overweegt het hof als volgt. Freedom c.s. is in de hoofdzaak € 5.270,-- aan griffierecht verschuldigd. Voor wat betreft het salaris advocaat kan in dit stadium van de procedure worden volstaan met een bedrag van € 10.557,--. Het hof gaat daarbij uit van drie punten – één voor de memorie van antwoord en twee voor het pleidooi in de hoofdzaak – tegen tarief V (€ 3.161,-- per punt) en één punt voor de verrichte werkzaamheden in dit incident tegen tarief II (€ 1.074,-- per punt). Naar het oordeel van het hof heeft Freedom c.s. onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die rechtvaardigen dat thans in de begroting voor proceskosten punten voor getuigenverhoren in enquête en contra-enquête en een conclusie na enquête moeten worden meegerekend. Voorts kan er geen punt worden toegekend voor de door [appellanten c.s.] (zelf) genomen memorie van grieven. Het hof zal de beslissing over de proceskosten in het incident aanhouden totdat in de hoofdzaak wordt beslist. In dit licht bezien dient in de begroting van de zekerheidstelling tevens rekening te worden gehouden met deze kosten.
Uit het voorgaande volgt dat [appellanten c.s.] thans voor een bedrag van € 15.827,-- zekerheid dient te stellen. Bij dit oordeel betrekt het hof dat het Freedom c.s. vrijstaat om op een later moment om aanvullende zekerheid te verzoeken indien hangende de lopende hoger beroepsprocedure mocht blijken dat de proceskosten oplopen tot boven het bedrag waarvoor thans zekerheid dient te worden gesteld.
3.6.
Wat betreft de wijze waarop zekerheidstelling op basis van artikel 224 Rv Pro dient te geschieden, moet aansluiting worden gezocht bij het bepaalde in artikel 6:51 Burgerlijk Pro
Wetboek. In ieder geval is van belang dat Freedom c.s. zonder moeite verhaal zal kunnen
nemen op de aangeboden zekerheid. Gebruikelijk is een bankgarantie, echter [appellanten c.s.] is bereid om het bedrag, waarvoor zekerheid dient te worden gesteld, te storten op de
derdengeldrekening van de advocaat van Freedom c.s. Nu dit naar het oordeel van het hof
Freedom c.s. in voldoende mate en zonder moeite verhaal biedt, is er geen bezwaar om de zekerheidstelling op deze wijze te laten plaatsvinden en zal het hof zulks bepalen op hierna te vermelden wijze.
3.7.
Het hof zal voorts op de voet van artikel 616 lid 3 sub a en Pro b Rv de termijn
waarbinnen de zekerheid moet zijn gesteld bepalen op vier weken na de datum van dit arrest en de termijn waarbinnen de gestelde zekerheid moet worden aanvaard dan wel geweigerd op twee weken nadien.
3.8.
De beslissing omtrent de kosten van dit incident zal worden aangehouden tot de
einduitspraak in de hoofdzaak.
In de hoofdzaak
3.9.
Nu [appellanten c.s.] op de rol van 23 oktober 2018 om mondeling pleidooi heeft verzocht, zal het hof de zaak verwijzen naar de hierna genoemde rol voor de opgave van verhinderdata van beide partijen en hun advocaten door [appellanten c.s.] Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident:
beveelt dat [appellanten c.s.] ten behoeve van Freedom c.s. zekerheid stelt voor een bedrag van
€ 15.827,-- ter zake van de proceskosten waarin [appellanten c.s.] in het onderhavige hoger beroep
(waaronder het onderhavige incident) veroordeeld zou kunnen worden;
bepaalt dat [appellanten c.s.] voormelde zekerheid stelt door middel van een depotstorting ter
hoogte van dit bedrag op de derdengeldrekening van de advocaat van Freedom c.s., die dit
bedrag vrij zal geven aan Freedom c.s. wanneer [appellanten c.s.] door het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, zal zijn veroordeeld in de proceskosten;
bepaalt dat deze zekerheid op voornoemde wijze uiterlijk op 18 december 2018 moet zijn gesteld, waarna Freedom c.s. binnen twee weken de betreffende zekerheid dient te accepteren dan wel te weigeren;
houdt de beslissing over de proceskosten van dit incident aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
wijst af het meer of anders gevorderde.
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 4 juni 2019 voor opgave van de verhinderdata van beide partijen en hun advocaten in de periode augustus 2019 tot en met januari 2020 door [appellanten c.s.]
ten behoeve van een mondeling pleidooi;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, O.G.H. Milar en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 november 2018.
griffier rolraadsheer