Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 5492456, rolnummer 16-9617)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met een productie;
- de memorie van grieven met vijf producties (genummerd 2 tot en met 6);
- de memorie van antwoord met twee producties.
3.De beoordeling
- Op 1 oktober 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint-Michielsgestel aan [geïntimeerde] voor haar woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning) een Leegstandswetvergunning verleend voor de duur van 5 jaar, ingaande op 1 oktober 2013 en lopende tot 1 oktober 2018.
- Bij huurovereenkomst van 10 oktober 2013 heeft [geïntimeerde] de woning verhuurd aan [appellant] en [appellante] voor een huurprijs van € 895,-- per maand. Volgens artikel 4.5 van de huurovereenkomst hebben [appellant] en [appellante] een borgsom moeten betalen van € 895,-- (1 maand huur). De huurovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd maar tenminste voor een periode van zes maanden ingaande 11 oktober 2013.
- In artikel 1.2 van de huurovereenkomst staat onder meer het volgende:
- Op de huurovereenkomst zijn de ‘Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte’ van toepassing (Model ROZ 2003). Artikel 19 van Pro deze algemene bepaling bevat een regeling voor beëindiging van de huurovereenkomst door opzegging.
- [appellant] en [appellante] hebben in het geding in eerste aanleg een werkbon van [installatietechniek] Installatietechniek van 24 augustus 2016 overgelegd. Volgens de informatie op deze werkbon heeft [appellante] op 23 augustus 2016 het volgende verzoek aan [installatietechniek] gedaan:
- [appellant] en [appellante] hebben omstreeks eind augustus 2016 een nieuwe verwarmingsketel besteld. Kort daarna is de door [appellant] en [appellante] bestelde nieuwe verwarmingsketel in de woning gemonteerd. [installatietechniek] heeft daarvoor € 2.126,02 in rekening gebracht aan [appellant] en [appellante] .
- Bij e-mail van 12 september 2016 hebben [appellant] en [appellante] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende meegedeeld:
- primair een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst op 30 november 2016 eindigt, althans subsidiair ontbinding van de huurovereenkomst;
- veroordeling van [appellant] en [appellante] tot ontruiming van het gehuurde;
- hoofdelijke veroordeling van [appellant] en [appellante] tot betaling van € 5.330,-- aan achterstallige huur over de periode tot 1 december 2016, te vermeerderen met wettelijke rente en te vermeerderen met € 776,22 aan buitengerechtelijke kosten;
- hoofdelijke veroordeling van [appellant] en [appellante] tot betaling van € 895,-- per maand over de periode van 1 december 2016 tot aan het moment waarop [appellant] en [appellante] het gehuurde hebben ontruimd;
- De huurovereenkomst is tijdelijk aangegaan op grond van artikel 15 van Pro de Leegstandswet. Daarom zijn de dwingendrechtelijke bepalingen van boek 7, titel 4, afdeling 5 van het BW en dus ook de beëindigingsgronden van artikel 7:274 BW Pro niet van toepassing op de huurovereenkomst (rov. 2.8).
- [geïntimeerde] heeft de huurovereenkomst rechtsgeldig opgezegd per 30 november 2016. Die opzegging is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (rov. 2.9).
- Omdat [appellant] en [appellante] de woning nog niet hebben verlaten, zal de vordering tot ontruiming worden toegewezen (rov. 2.10).
- [appellant] en [appellante] hebben de hoogte van de huurachterstand niet betwist. Aan [appellant] en [appellante] komt geen beroep toe op verrekening in verband met het door hen gestelde gebrek aan de verwarmingsketel. Op grond van artikel 15 van Pro de Leegstandswet kunnen [appellant] en [appellante] geen beroep doen op artikel 7:206 lid 3 BW Pro. Bovendien is gesteld noch gebleken dat zij [geïntimeerde] in gebreke hebben gesteld ten aanzien van het door hen gestelde gebrek en dat [geïntimeerde] in verzuim is geweest om dat gebrek binnen een aan haar gestelde termijn te herstellen. De vordering ter zake huurachterstand over de periode tot en met november 2016 is dus toewijsbaar (rov. 2.11)
- De vordering tot betaling van huur dan wel schadevergoeding van € 895,-- per maand is eveneens toewijsbaar, en wel vanaf 1 december 2016 (door een kennelijke verschrijving staat in het vonnis 1 december 2017) tot aan de dag van de ontruiming (rov. 2.12)
- De vordering ter zake buitengerechtelijke kosten ad € 776,22 is toewijsbaar (rov. 2.13).
- voor recht verklaard dat de huurovereenkomst tussen partijen op 30 november 2016 is geëindigd;
- [appellant] en [appellante] veroordeeld om de woning binnen 14 dagen na betekening van het vonnis te ontruimen;
- [appellant] en [appellante] hoofdelijk veroordeeld om aan [geïntimeerde] € 6.106,22 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 5.330,-- vanaf 2 november 2016;
- [appellant] en [appellante] hoofdelijk veroordeeld om aan [geïntimeerde] € 895,-- te betalen voor elke maand of deel van een maand dat zij het gehuurde vanaf 1 december 2016 niet hebben ontruimd.
- de CV-ketel rookgaszijdig lek is en een onverantwoord hoge concentratie koolmonoxide produceert;
- het toestel niet te repareren is;
- het onverantwoord is om het nog langer in gebruik te houden;
- de monteur het toestel om deze reden heeft afgesloten.
4.De uitspraak
- € 6.106,22 vermeerderd met de wettelijke rente over € 5.330,-- vanaf 2 november 2016;
- € 895,-- voor elke maand of deel van een maand dat zij het gehuurde vanaf 1 december 2016 niet hebben ontruimd;
- € 3.203,98 vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 2 november 2016;
- € 776,22 ter zake buitengerechtelijke kosten;
- € 895,-- per maand over de periode van 1 december 2016 tot en met de maand vóór de maand waarin [appellant] en [appellante] de woning hebben ontruimd;