ECLI:NL:GHSHE:2018:4339
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vonnis wegens niet-ontvankelijkheid ingebrekestelling en opeising krediet
Partijen sloten op 10 november 2006 een kredietovereenkomst met een kredietlimiet van €5.000 en een rentepercentage van 11,3% per jaar. Door betalingsachterstanden stelde de bank appellant bij brief van 4 mei 2013 tot betaling in gebreke en eiste zij later het gehele uitstaande saldo op. De bank stelde appellant in augustus 2014 in gebreke en eiste het saldo op in oktober 2014, maar appellant betwistte de verzending van deze brieven.
In eerste aanleg vorderde de bank betaling van het openstaande bedrag, waarop de kantonrechter het subsidiaire bedrag toewijst. In hoger beroep voert appellant aan dat de ingebrekestelling en opeisingsbrief niet rechtsgeldig zijn verzonden, waardoor de vordering moet worden afgewezen.
Het hof oordeelt dat de bank onvoldoende concreet bewijs heeft geleverd van verzending van de brieven en dat de betwisting van appellant voldoende is gemotiveerd. De bank heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de brief van 4 mei 2013 voldoet aan de eisen van een ingebrekestelling. Het beroep op misbruik van recht en rechtsverwerking faalt. Het hof vernietigt het vonnis en wijst de vordering af, waarbij de bank wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en wijst de vordering van de bank af wegens niet-rechtsgeldige ingebrekestelling en opeising.