ECLI:NL:GHSHE:2018:4186

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
9 oktober 2018
Publicatiedatum
9 oktober 2018
Zaaknummer
200.207.466_01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 3:194 BW
Verwijzingen
6 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betekenis en gevolg schending artikel 21 Rv in civiele procedure over bankrekeningen en geldlening

In deze civiele zaak tussen appellant, als erfgenaam, en geïntimeerde staat de vraag centraal of geïntimeerde voldoende openheid van zaken heeft gegeven over haar bankrekeningen en vermogen op de peildatum 1 oktober 2014. Appellant stelt dat geïntimeerde een ING Profijtrekening had die niet is vermeld en dat de geldlening van € 200.000,-- niet is verteerd, met een beroep op artikel 3:194 BW Pro.

Het hof heeft geïntimeerde bevolen om rekeningoverzichten van vier bankrekeningen te overleggen, waarvan zij afschriften heeft ingediend. Appellant betwist echter de juistheid van de saldi van twee rekeningen en handhaaft zijn stelling over het niet verteerde karakter van de geldlening.

Het hof geeft geïntimeerde de gelegenheid om te reageren op het beroep van appellant op artikel 3:194 BW Pro middels een antwoordakte en houdt de zaak voor het overige aan. Dit arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2018.

Uitkomst: De zaak wordt aangehouden en geïntimeerde krijgt gelegenheid om te reageren op het beroep op artikel 3:194 BW.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.207.466/01
arrest van 9 oktober 2018
in de zaak van
[Appellant] i.z.h.v. erfgenaam van [erflater],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant q.q.] ,
advocaat: mr. M. Timmermans-Roelands te Bergen op Zoom,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. S. van Reeven-Özer te Rijen,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 25 april 2017 en 10 juli 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/307991/HAZA 15-771 gewezen vonnis van 13 juli 2016.

8.Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenarrest van 10 juli 2018;
  • de (abusievelijk als antwoordakte aangeduide) akte van de zijde van [geïntimeerde] ;
  • de antwoordakte van de zijde van [appellant q.q.] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

9.De verdere beoordeling

9.1.
Bij genoemd tussenarrest is [geïntimeerde] bevolen bij akte in het geding te brengen:
  • een rekeningoverzicht behorende bij bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] t.n.v. [geïntimeerde] , waaruit het saldo op 1 oktober 2014 blijkt;
  • een rekeningoverzicht behorende bij bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] t.n.v. [geïntimeerde] , waaruit het saldo op 1 oktober 2014 blijkt;
  • een rekeningoverzicht behorende bij bankrekeningnummer [rekeningnummer 3] t.n.v. [geïntimeerde] , waaruit het saldo op 1 oktober 2014 blijkt;
  • een rekeningoverzicht behorende bij bankrekeningnummer [rekeningnummer 4] t.n.v. [geïntimeerde] , waaruit het saldo op 1 oktober 2014 blijkt.
De zaak is voor het overige aangehouden.
9.2.
[geïntimeerde] heeft bij akte afschriften van bovengenoemde bankrekeningen in het geding gebracht.
9.3.
[appellant q.q.] heeft bij antwoordakte gesteld dat uit productie 4 bij akte blijkt dat [geïntimeerde] nog minimaal één andere spaarrekening op de peildatum van 1 oktober 2014 op haar naam had staan. Het gaat om een ING Profijtrekening (een spaarrekening). Een Profijtrekening kon geopend worden na storting van minimaal € 50.000,--. De ING Profijtrekening is gekoppeld aan bankrekeningnummer [rekeningnummer 4] t.n.v. [geïntimeerde] . Door [geïntimeerde] is hiervan nimmer melding gemaakt. Evenmin zijn bewijsstukken van deze Profijtrekening door [geïntimeerde] overgelegd.
[appellant q.q.] handhaaft zijn stelling dat de geldlening van € 200.000,-- niet is verteerd en [geïntimeerde] op 1 oktober 2014 over vermogen beschikte waarover zij geen openheid heeft gegeven. Hij doet een beroep op het bepaalde in art. 3:194 BW Pro. Ten slotte heeft [appellant q.q.] de door [geïntimeerde] genoemde saldi van de bankrekeningen met de nummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 4] betwist. De saldi van de overige twee bankrekeningen heeft hij erkend.
9.4.
[geïntimeerde] heeft nog niet gereageerd op het beroep van [appellant q.q.] op het bepaalde in art. 3:194 BW Pro. Zij zal hiertoe door het hof in de gelegenheid worden gesteld door het nemen van een antwoordakte. De zaak zal voor het overige worden aangehouden.

10.De uitspraak

Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 6 november 2018 voor het nemen van een antwoordakte aan de zijde van [geïntimeerde] doch enkel voor wat betreft het beroep van [appellant q.q.] op het bepaalde in art. 3:194 BW Pro;
houdt de zaak aan voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en G.J. Vossestein en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 oktober 2018.
griffier rolraadsheer