In deze strafzaak is hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de raadsheer-commissaris die bepaalde dat de identiteit van een getuige, aangeduid als X, verborgen zou worden gehouden tijdens diens verhoor. De getuige wilde alleen verklaren als zijn identiteit geheim bleef, uit vrees voor bedreiging.
De raadsman van de verdachte verzocht om deze getuige als beperkt anonieme getuige te horen. De raadsheer-commissaris gaf hieraan gevolg, maar het hof heeft dit besluit getoetst. Het hof stelde vast dat niet was voldaan aan de strenge eisen van artikel 226a, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, die vereisen dat er concrete en objectiveerbare feiten zijn die een reële bedreiging aantonen.
Het hof vond dat de raadsheer-commissaris ten onrechte had geoordeeld dat sprake was van een zodanige dreiging dat de identiteit van de getuige moest worden afgeschermd. Er ontbraken concrete aanwijzingen voor gevaar voor leven, gezondheid, veiligheid of ontwrichting van het gezinsleven of sociaal-economisch bestaan van de getuige.
Daarom vernietigde het hof de beschikking en wees het hoger beroep van de verdachte toe. Tevens werd benadrukt dat de procedure rondom het horen van bedreigde getuigen zorgvuldig moet worden ingevuld met respect voor de rechten van de verdediging en de belangen van de getuige.