Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de vrouw, bijgestaan door mr. El Aqde en tolk de heer M. Kada (nr. 4789);
- de man, bijgestaan door mr. Avontuur en tolk de heer E.H. Belarbi (nr. 5126).
3.De beoordeling
vrouwhet volgende aan.
manweerspreekt de stelling van de vrouw dat de rechtbank buiten beschouwing zou hebben gelaten dat de vrouw naast de Marokkaanse eveneens de Nederlandse nationaliteit bezit. De man is het met de vrouw eens dat vanaf de datum huwelijksvoltrekking het Marokkaans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, doch stelt dat eerst met ingang van 2 februari 2009, na tien jaar verblijf in Nederland, het Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen.
hofoverweegt als volgt.
i)die staat geen partij is bij het Verdrag,
ii)die staat een zogenoemd nationaliteitsland is en
iii)de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen
a)in een staat die de in art. 5 van Pro het Verdrag bedoelde verklaring heeft afgelegd. Deze uitzondering doet zich thans voor, immers de man en de vrouw hebben reeds vóór hun huwelijkssluiting de Marokkaanse nationaliteit gemeenschappelijk,
i)Marokko is geen partij bij het Verdrag,
ii)Marokko is een nationaliteitsland en naar het oordeel van het hof
iii)is de eerste huwelijksdomicilie van partijen gelegen in Nederland,
a)welk land de in art. 5 van Pro het Verdrag bedoelde verklaring heeft afgelegd. Hieruit volgt dat het huwelijksvermogensregime van partijen vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking wordt beheerst door Marokkaans recht, zijnde het interne recht van de staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit.
vrouwvoert in hoger beroep, samengevat, het volgende aan.
manweerspreekt de stellingen van de vrouw. Hij blijft bij zijn stelling dat niet hij, maar zijn moeder in juli 2000 grond in Marokko heeft aangekocht en hierop in juli 2001 een woning heeft laten bouwen, waarvan de bouw in 2002 was afgerond. Het inkomen dat de man sedert oktober 1999 heeft, werd, anders dan de vrouw betoogt, gebruikt voor de betaling van de vaste lasten. Dit was ook nodig, aangezien enkel de Wajong uitkering van de vrouw onvoldoende was om alle vaste lasten van partijen en hun vier kinderen te voldoen.
hofoverweegt als volgt.
vrouwbetoogt dat de man in eerste aanleg tegoeden die op zijn privérekening stonden bij Banque Populaire heeft verzwegen en verborgen gehouden. In dit verband doet de vrouw een beroep op art. 3:194 lid 2 BW Pro. Het hof beschouwt dit als een vermeerdering van het verzoek, welke vermeerdering tijdig, bij beroepschrift, is gedaan. De man heeft daartegen ook geen bezwaar gemaakt en is in zijn verweerschrift inhoudelijk op deze vermeerdering van het verzoek ingegaan. Het hof zal dan ook tot een inhoudelijke beoordeling overgaan.
manheeft in zijn verweerschrift de stelling van de vrouw weersproken door te betogen dat “de stelling van de vrouw dat er ineens een bedrag van € 20.000,-- op deze rekening zou staan en vervolgens door de man zou zijn leeggeplunderd (…) totaal uit de lucht gegrepen en onjuist (is)” (nr. 14 verweerschrift, laatste alinea).
hofoverweegt als volgt.
manheeft voorwaardelijk verzocht om op de voet van art. 3:185 lid 3 BW Pro te bepalen dat hij de vrouw een bedrag van € 50,-- per maand zal betalen. De man wijst er daarbij op dat hij een inkomen heeft van € 2.265,-- per maand, inclusief vakantiegeld, een kinderalimentatie betaalt er hoogte van ruim € 500,-- en een huurlast heeft van € 769,-- per maand.
vrouwheeft daartegen verweer gevoerd.
hofoverweegt als volgt.