Uitspraak
’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3151016 EXPL 14-6890)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met een eiswijziging;
- de memorie van antwoord met een productie;
- de akte van de zijde van [appellant] van 25 april 2017;
- de antwoordakte van de zijde van [de vennootschap] van 23 mei 2017.
3.De beoordeling
“16 jaar”lijken juist te duiden op de jaren die [appellant] feitelijk al bij [de vennootschap] werkte en de bewoordingen “
28 dienstjaren”op de jaren die [appellant] feitelijk bij [de vennootschap] zou kunnen behalen, maar niet op de 11 of 13 extra jaren als gevolg van de waardeoverdracht. Daar komt bij dat niet logisch is dat partijen hebben gesproken over
“inflatiecorrectie over extra 11 jaar”als [de vennootschap] backservice zou betalen over alle jaren. De toekenning van backservice maakt het indexeren van pensioenaanspraken tijdens de opbouwperiode immers overbodig.
“(…) [appellant] de kosten zou voldoen die verband houden met de inkoop van extra pensioenjaren inclusief de toekomstige jaarlijkse extra kosten in verband daarmee.”en
“In verband met de inkoop van extra pensioenjaren zijn extra jaarlijkse kosten ontstaan waarvan de afspraak is gemaakt dat deze door de heer [appellant] voldaan zouden worden. Dit is schriftelijk bevestigd in de brief van 25 januari 2011”.De brief van 25 januari 2011 waaraan wordt gerefereerd betreft een brief van [de vennootschap] aan [appellant] waarin het volgende wordt vermeld:
“Naar aanleiding van je pensioenoverdracht van dienstjaren van vóór het dienstverband bij [glastechnologie] B.V. is er een eigen bedrage in de pensioenkosten ontstaan. Wij hebben de eigen bijdrage van € 2.282,- per jaar over de periode 2010 nog niet verrekend. In onderling overleg zal deze inhouding over 2010 in een later stadium nog worden verrekend. De eigen bijdrage over 2011 zal vooralsnog in 12 gelijke termijnen van € 190,17 worden ingehouden op het bruto salaris. (…)”.