Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[VOF] VOF,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 3] ,wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4821329 \ CV EXPL 16-1793)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven, tevens houdende aanvulling van de grondslag van de eis, met twee producties (nummers 19 en 20);
- de memorie van antwoord met een productie (nummer 2).
3.De beoordeling
- [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] zijn vennoten van [geïntimeerde 1] vof. [geïntimeerde 1] vof is een makelaarskantoor.
- [appellant] is eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning).
- [appellant] heeft in 2014 opdracht gegeven aan [geïntimeerde 1] vof om te bemiddelen bij de verkoop van de woning.
- [geïntimeerde 2] heeft daarna aan [appellant] meegedeeld dat [de zoon] , zoon van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] , belangstelling had voor de woning.
- Vervolgens hebben [appellant] als verhuurder en [de zoon] als huurder op 18 september 2014 een huurovereenkomst gesloten volgens een model van de Raad voor Onroerende Zaken dat is aangeleverd door [geïntimeerde 1] vof. Bij die huurovereenkomst heeft [appellant] de woning voor bepaalde tijd, tot 1 september 2015, verhuurd aan [de zoon] voor een huurprijs van € 700,-- per maand. Tussen partijen is voorts afgesproken dat [de zoon] aan [appellant] € 200,-- zou voldoen voor gas, water en elektriciteit. In de huurovereenkomst is opgenomen dat [de zoon] de optie heeft om de woning in 2015 voor € 139.000,-- te kopen. In de huurovereenkomst staat ook het volgende:
de heer [geïntimeerde 2] ( [geïntimeerde 1] ) (…)’
- [de zoon] was ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst meerderjarig. Op de eerste blz. van de huurovereenkomst is vermeld dat [de zoon] is geboren op [geboortedatum] 1988.
- Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (model ROZ 2003) van toepassing verklaard. Artikel 26 van Pro die algemene bepalingen luidt als volgt:
- [de zoon] heeft de woning na het sluiten van de huurovereenkomst betrokken. [appellant] woonde in die periode in België.
- Begin februari 2015 hebben [appellant] en zijn toenmalige echtgenote de woning onaangekondigd bezocht en bezichtigd (volgens [appellant] alleen de begane grond en niet de verdieping). Daarbij zijn geen tekortkomingen in de nakoming van de huurovereenkomst vastgesteld.
- Op 21 april 2015 heeft de politie een inval gedaan in de woning en een hennepkwekerij aangetroffen.
- Bij brief van 23 juni 2015 heeft de burgemeester van de gemeente [gemeente] aan [appellant] , die op dat moment in België woonde, onder meer het volgende meegedeeld:
- [appellant] heeft [de zoon] vervolgens in kort geding gedagvaard en veroordeling van [de zoon] tot ontruiming van de woning gevorderd. De kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, heeft deze vordering toegewezen bij vonnis in kort geding van 13 augustus 2015 (zaaknummer 4306032 \ CV EXPL 15-7020).
- [appellant] heeft een door [de vennootschap] opgestelde specificatie van 14 september 2015 terzake aan de woning te verrichten herstelwerkzaamheden overgelegd. Volgens deze specificatie bedragen de kosten van die werkzaamheden € 24.897,44 inclusief btw.
- [energieleverancier] heeft aan [appellant] € 1.598,28 in rekening gebracht ter zake, kort gezegd, de diefstal van de energie ten behoeve van de hennepkwekerij. Ook heeft [energieleverancier] aan [appellant] € 60,41 in rekening gebracht ter zake de vervanging van een zekering.
- [appellant] heeft de woning met ingang van 8 september 2015 verhuurd aan een derde.
- De advocaat van [appellant] heeft [geïntimeerde 1] vof bij brief van 10 november 2015 gesommeerd de schade aan de woning te herstellen dan wel het in de specificatie van 14 september 2015 genoemde bedrag van € 24.897,44 te betalen, alsmede de bedragen van € 1.598,28 en € 60,41 te vergoeden. In de brief is voorts aangekondigd dat, indien niet tijdig aan de sommatie wordt voldaan, aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van buitengerechtelijke kosten.
- [geïntimeerde 1] vof heeft niet aan de sommatie van 10 november 2015 voldaan.
- € 24.897,44 inclusief btw ter zake schade aan de woning, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 december 2015;
- achterstallige huurtermijnen van € 700,-- per maand over de periode vanaf mei 2015 tot en met 8 september 2015, vermeerderd met de wettelijke rente over de huurtermijnen vanaf de vervaldata daarvan;
- € 1.658,42 ter zake door [energieleverancier] aan [appellant] in rekening gebrachte kosten vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 december 2015;
- € 1.023,79 vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 december 2015 en € 248,76 vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 25 november 2015 ter zake buitengerechtelijke kosten;
- primair bedragen van € 574,16, € 100,-- en € 3.717,45 inclusief btw dan wel subsidiair bedragen van € 574,16, € 96,16 en € 78,-- ter zake proceskosten van het gevoerde kort geding;
- Er is niet komen vast te staan dat tussen [appellant] en [geïntimeerde 1] vof een beheerovereenkomst is gesloten. Er is ook niet komen vast te staan dat [geïntimeerde 1] vof tekortgeschoten is in de nakoming van op haar rustende verbintenissen (rov. 4.5).
- [appellant] kan de door hem gestelde vordering op [geïntimeerde 1] vof niet baseren op artikel 3:66 lid 2 BW Pro (rov. 4.7 en 4.8).
- Er zijn geen andere gronden gesteld of gebleken waarop aansprakelijkheid van [geïntimeerde 1] vof voor de door [appellant] gestelde schade kan worden gebaseerd (rov. 4.9).
- dat tussen [appellant] en [geïntimeerde 1] vof een beheerovereenkomst is gesloten;
- dat [geïntimeerde 1] vof tekortgeschoten is in de nakoming van op haar rustende verbintenissen.
4.De uitspraak
- dat [geïntimeerde 1] c.s. al vóór de totstandkoming van de huurovereenkomst wisten dan wel serieuze aanleiding hadden om te vermoeden dat [de zoon] in de woning een hennepkwekerij zou gaan exploiteren;
- dat [geïntimeerde 1] c.s., toen de huur was ingegaan, actief hebben geparticipeerd in de aanleg en/of exploitatie van de hennepplantage;