Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[partij 1] ,
1.[partij 3] ,wonende te [woonplaats] ,
1.[partij 3] ,wonende te [woonplaats] ,
1.De gedingen in eerste aanleg
2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak (zaaknummer 200.199.317/01)
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met een productie (nummer 6);
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, met een productie (nummer 35);
- het schriftelijk pleidooi, ten behoeve waarvan beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.
3. Het geding in hoger beroep in de vrijwaringszaak (zaaknummer 200.202.745/01)
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met drie producties (nummers 10, 11 en 12);
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep;
- de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep met een productie (nr. 13);
- het schriftelijk pleidooi, ten behoeve waarvan beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.
4.De beoordeling in hoger beroep in de hoofdzaak (zaaknummer 200.199.317/01)
- [partij 5] is eigenaresse geweest van de woonboerderij met aanhorigheden aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woonboerderij).
- In 1994/1995 heeft [partij 5] de voorgevel van de woonboerderij laten renoveren, waarbij de buitenzijde van de gevel opnieuw is gevoegd en een bolling in de gevel is weggewerkt door het geleidelijk aandraaien van een draaispindel. Ook heeft [partij 5] in deze periode aan de binnenzijde van de voorgevel een binnenwand laten plaatsen. In het kader daarvan zijn twee dwarsmuren van het gangetje naar de voordeur verwijderd en is een andere dwarswand aangebracht.
- Bij in november 2001 ondertekende koopovereenkomst hebben [partij 3] en [partij 4] de woonboerderij (in de overeenkomst omschreven als de ‘woonboerderij met portacabin, studio, erf, tuin en overige aanhorigheden’) gekocht van [partij 5] .
- Bij notariële akte van 14 januari 2002 heeft [partij 5] de woonboerderij aan [partij 3] en [partij 4] geleverd.
- [partij 3] en [partij 4] hebben meerdere jaren in de woonboerderij gewoond. Op enig moment hebben zij de woonboerderij te koop gezet.
- De daarbij voor [partij 3] en [partij 4] optredende verkoopmakelaar, [verkoopmakelaar] , heeft een verkoopbrochure opgesteld. Op blz. 1 van deze brochure staat een vraagprijs van € 625.000,-- kosten koper. Verder staat op deze bladzijde onder meer het volgende:
- [partij 1 en partij 2] hebben zich als belangstellende voor aankoop van de woonboerderij gemeld. Aan hen is de genoemde verkoopbrochure ter beschikking gesteld.
- [partij 1 en partij 2] hebben de woonboerderij enkele malen bezichtigd. Zij hebben voor de aankoop geen bouwkundig onderzoek naar de staat van de woonboerderij laten uitvoeren.
- Bij door [partij 3] en [partij 4] op 25 juli 2012 en door [partij 1 en partij 2] op 31 juli 2012 ondertekende koopovereenkomst, waarin appellant sub 1 is aangeduid als [naam] , hebben [partij 3] en [partij 4] aan [partij 1 en partij 2] de woonboerderij (in de overeenkomst omschreven als “het woonhuis met gastenverblijf, berging, atelier, ondergrond, tuin en verder aanbehoren”) verkocht voor een koopprijs van € 541.000,-- kosten koper.
- In de koopovereenkomst staat onder meer het volgende:
- Bij notariële akte van 3 december 2012, waarin appellant sub 1 eveneens is aangeduid als [naam] , hebben [partij 3] en [partij 4] de woonboerderij aan [partij 1 en partij 2] geleverd.
- Na de levering hebben [partij 1 en partij 2] een aanvang laten nemen met verbouwingswerkzaamheden aan de woonboerderij door Aannemingsbedrijf [aannemingsbedrijf] . Tot de aan [aannemingsbedrijf] opgedragen werkzaamheden behoorde het vervangen van de kozijnen in de voorgevel van de woonboerderij. Na het verwijderen van de oude kozijnen heeft dhr. [medewerker van aannemingsbedrijf] een notitie geschreven waarin hij heeft gesteld, kort samengevat, dat de voorgevel in zeer slechte staat verkeert.
- [partij 1 en partij 2] hebben vervolgens een rapport over de staat van de voorgevel laten opstellen door [bureau] (hierna: [bureau] ). In het door [bureau] uitgebrachte rapport van 4 maart 2013 staat onder meer het volgende:
- In de periode tussen 1 april 2013 en 6 november 2013 hebben [partij 1 en partij 2] het metselwerk van de voorgevel laten vervangen. De oude voorgevel is gesloopt en er is een nieuwe voorgevel opgemetseld.
- Tussen de advocaten van partijen is gecorrespondeerd over de staat waarin de voorgevel ten tijde van de verkoop en levering van de woonboerderij in 2012 verkeerde en over de vraag of [partij 3] en [partij 4] in verband daarmee een schadevergoeding aan [partij 1 en partij 2] verschuldigd zijn. Dit heeft niet tot overeenstemming tussen de partijen geleid.
- Herstelkosten muur € 37.682,37
- Legeskosten fundering € 817,--
- Aanvullende werkzaamheden € 1.264,05
- Gevolgschade € 23.230,20
- Expertisekosten € 10.068,17
- Energieverbruik € 3.114,36
- a. dat het onwaarschijnlijk is dat sprake was van een substantieel constructief gebrek aan de gevel in 2012/2013;
- b. dat er een dermate aantasting was van de gevel dat er noodzaak bestaat voor het verrichten van herstelwerkzaamheden aan de voorgevel en dat kan worden volstaan met het aanbrengen van een verbindende hechtlaag aan de binnenzijde van het metselwerk van de voorgevel.
- het feit dat het metselwerk aan de binnenzijde van de buitengevel in 2013, en dus naar mag aangenomen worden ook ten tijde van de levering op 3 december 2012, een zeer geringe samenhang vertoonde (blz. 20 onderaan van het rapport), waardoor de stenen te bewegen waren wanneer met een schroevendraaier tussen de stenen werd bewogen (blz. 21 onderaan van het rapport), hetgeen de indruk wekt dat het metselwerk met name door de in 1994/1995 aan de buitenzijde aangebrachte cementvoeg bij elkaar werd gehouden (blz. 23 onderste deel van het rapport);
- het feit dat de fundering van de voorgevel slechts een breedte had van 1½ steens metselwerk, zodat de fundering even breed was als metselwerk van de voorgevel ter hoogte van de begane grond en er met andere woorden geen verbrede funderingsvoet aanwezig was (blz. 20 onderaan, blz. 21 bovenaan en blz. 22 bovenste helft van het rapport), hetgeen is geconstateerd bij het ontgraven van de voorgevel in het kader van de sloop daarvan in 2013 (blz. 14 en 15 van het rapport);
- het feit dat er geen of vrijwel geen ankers zijn toegepast tussen de oorspronkelijke voorgevel en de in 1994/1995 in opdracht van [partij 5] aan de binnenzijde van de voorgevel geplaatste voorzetwand (blz. 21 bovenste deel van het rapport), dat de voorgevel niet verankerd was aan de verdiepingsvloer (blz. 21 onderste deel en blz. 22 bovenaan van het rapport), dat er geen verankering van de voorgevel meer aanwezig was ter plaatse van de in 1994/1995 verwijderde tussenmuren aan weerszijden van de voormalige voordeur (blz. 21 onderste deel en blz. 22 bovenaan van het rapport), en dat de voorgevel in feiten alleen nog “verankerd” was via de zijgevels (blz. 23 onderaan van het rapport);
- de locatie van de bolling in de voorgevel, de mate van die bolling en de invloed die het ontbreken van een voldoende mate van verankering van de voorgevel al dan niet heeft gehad op het ontstaan van die bolling (blz. 21 iets onder midden deskundigenrapport en blz. 22 omstreeks het midden);
- de mate waarin de voorgevel sinds de bouw daarvan (bijna 200 jaar geleden) is verzakt (blz. 21 onderste deel).