ECLI:NL:GHSHE:2018:3370

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
9 augustus 2018
Publicatiedatum
9 augustus 2018
Zaaknummer
200.232.514_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 278 lid 3 RvArt. 362 RvArt. 9a AdvocatenwetArt. 1 AdvocatenwetArt. 2a Advocatenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep hoofdverblijf minderjarige wegens ontbreken Nederlandse advocaat

In deze zaak ging het om een hoger beroep van de moeder tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant waarin de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader was vastgesteld. De moeder had het beroepschrift ingediend via een Estse advocaat, zonder tussenkomst van een Nederlandse advocaat, wat volgens de Advocatenwet en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet is toegestaan.

Het hof wees de moeder bij meerdere gelegenheden op het ontbreken van een Nederlandse advocaat en gaf haar de mogelijkheid dit te herstellen binnen vier weken. Deze gelegenheid werd niet benut. De moeder verscheen niet bij de mondelinge behandeling, terwijl de vader wel aanwezig was.

Het hof nam kennis van de eerdere beschikking en het feit dat de minderjarige inmiddels op grond van een Estse rechterlijke beslissing weer bij de vader verblijft. Gezien het niet voldoen aan de formele vereisten verklaarde het hof het hoger beroep van de moeder niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het hoger beroep van de moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een Nederlandse advocaat.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
Uitspraak : 9 augustus 2018
Zaaknummer : 200.232.514/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/01/322287/FA RK 17-3008
in de zaak in hoger beroep van:
[appellante],
wonende te [woonplaats] , Estland,
appellante,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: T. Pilv uit Estland, hierna: Pilv
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.H. Ebbeng.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 oktober 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 januari 2018, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de vader in alle kosten van de procedure te veroordelen.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 juli 2018. Bij die gelegenheid is gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. Ebbeng.
2.3.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de beschikking van de rechtbank van 25 oktober 2017, op verzoek van het hof door de rechtbank toegezonden en ter griffie ontvangen op 6 februari 2018;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 10 oktober 2017, op verzoek van het hof door de rechtbank toegezonden en ter griffie ontvangen op 14 februari 2018;
  • V-8-formulier van de zijde van de vader, ter griffie ingekomen op 7 februari 2018;
  • V-8-formulier van de zijde van de vader, ter griffie ingekomen op 12 maart 2018;
  • V-7-formulier van de zijde van de vader, ter griffie ingekomen op 19 maart 2018.
  • V-6-formulier van de zijde van de vader, ter griffie ingekomen op 5 juli 2018.
2.5.
Bij het laatstgenoemde formulier is overgelegd een beschikking van het Circuit Court in [kantoorplaats] (Estland) van 8 februari 2018, waarbij is bepaald dat de moeder verplicht is de hierna te noemen minderjarige aan de vader over te geven teneinde naar Nederland terug te keren.
2.6.
Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof op 17 juli 2018 heeft de vader medegedeeld dat de minderjarige op grond van de voormelde beslissing van het Circuit Court in [kantoorplaats] inmiddels sinds begin juli 2018 weer bij hem in Nederland verblijft. De moeder heeft gebruik gemaakt van de door het Circuit Court geboden mogelijkheid om vrijwillig te voldoen aan de beschikking van het Court.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank Oost-Brabant heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 25 oktober 2017 de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader vastgesteld.
3.2.
Tegen deze beschikking heeft de moeder bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 23 januari 2018, beroep ingesteld.
3.3.
Het ter griffie ingekomen beroepschrift is ingediend door een Estische advocaat. Het beroepschrift en de producties zijn in de Estische taal opgesteld en voorzien van Nederlandse vertalingen.
3.4.
Ingevolge artikel 278 lid 3 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is een ieder die beroep indient in een civiele verzoekschriftprocedure, verplicht dit te doen door tussenkomst van een advocaat, behoudens de daar genoemde uitzondering. Krachtens artikel 362 Rv Pro is dit artikel ook van toepassing in hoger beroep. Van een uitzondering als hiervoor vermeld is geen sprake.
Op grond van het bepaalde in artikel 9a van de Advocatenwet (Aw) is tot het voeren van de titel van advocaat uitsluitend gerechtigd degene die als advocaat is ingeschreven op grond van artikel 1, eerste lid, of 2a, eerste lid van die wet.
Ingevolge artikel 16a Aw hebben de bepalingen van de Aw en andere wettelijke voorschriften betreffende advocaten, uitsluitend betrekking op in Nederland ingeschreven advocaten, voor zover niet anders is bepaald. In dit verband regelen de artikelen 16a tot en met 16f Aw de figuur van de (incidenteel) bezoekende advocaat, die ingevolge artikel 16b Aw in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland gerechtigd dient te zijn beroepswerkzaamheden uit te oefenen onder de benaming advocaat of een daarmede overeenkomstige benaming in de taal of in een der talen van de staat van herkomst. Verder volgt uit artikel 16e van de Advocatenwet dat bij de uitoefening van werkzaamheden, bij wijze van dienstverrichting, betreffende de vertegenwoordiging en de
verdediging van een cliënt in rechte waarvoor ingevolge de wet de bijstand of
vertegenwoordiging van een advocaat is voorgeschreven, een bezoekende advocaat dient samen te werken met een in Nederland ingeschreven advocaat.
3.5.
Pilv is in zijn hoedanigheid van bezoekende advocaat door het hof bij schrijven van 1 februari 2018 gewezen op artikel 16 e van de Advocatenwet.
3.6.
Bij schrijven van 8 februari 2018 is Pilv door de griffier van het hof, in aanvulling op het schrijven van 1 februari 2018, waarvan een kopie nogmaals was bijgevoegd, erop gewezen dat het beroepschrift niet op de juiste wijze is ingediend: het beroepschrift dient ook door een Nederlandse advocaat te zijn ondertekend. Het hof heeft Pilv in de gelegenheid gesteld dat verzuim te herstellen binnen vier weken, te weten voor 8 maart 2018.
3.7.
Het verzuim is niet hersteld. Evenmin heeft Pilv, hoewel daarop uitdrukkelijk gewezen, voldaan aan de bepaling van artikel 16 e van de Advocatenwet. Dit brengt mee dat het beroepschrift niet in behandeling wordt genomen en appellante in haar hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

4.De beslissing

Het hof:
verklaart appellante niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, C.N.M. Antens en H. van Winkel, en is op 9 augustus 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.