Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
[pleegvader],
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
[de minderjarige]) geboren.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind in een pleeggezin. De moeder betwist dat het toekomstperspectief van het kind niet bij haar ligt en stelt dat zij voldoende opvoedvaardigheden bezit. De gecertificeerde instelling (GI) betoogt echter dat ondanks positieve ontwikkelingen bij de moeder, er onvoldoende vertrouwen is dat zij langdurig een stabiele en veilige opvoedsituatie kan bieden.
De minderjarige staat sinds januari 2015 onder toezicht van de GI en is sinds juli 2015 uit huis geplaatst, aanvankelijk in een crisispleegezin en daarna bij pleegouders. Het hof overweegt dat de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van het kind, conform de wettelijke bepalingen. Het advies van een deskundige, Keinder, wijst op onvoldoende mogelijkheden van de moeder om aan de specifieke behoeften van het kind te voldoen.
Het hof constateert dat er onvoldoende zicht is op de redenen voor de oorspronkelijke uithuisplaatsing en de ontwikkeling van het kind, wat het oordeel over het toekomstperspectief bemoeilijkt. De raad voor de kinderbescherming voert een onderzoek naar een mogelijke gezagsbeëindiging. Gezien het verleden van de moeder en de gerede twijfels over haar duurzame beschikbaarheid acht het hof het onverantwoord het kind terug te plaatsen. De bestreden beschikking wordt daarom bekrachtigd en de proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een pleeggezin.