Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
- van de man bij productie 84, overgelegd door zijn advocaat bij V-formulier van 19 maart 2018, onder vermelding van “reactie van de man op het verweerschrift in hoger beroep van de vrouw”.
- van de vrouw bij productie 12, overgelegd door haar advocaat bij V-formulier van 28 maart 2018, onder vermelding van “Reactie vrouw op reactie man”.
- het V-formulier van 9 maart 2018 met bijlagen van advocaat van de man, ingekomen 20 maart 2018;
- het V-formulier van 19 maart 2018 met bijlagen, met uitzondering van de eerder genoemde productie 84, van advocaat van de man, ingekomen op 20 maart 2018;
- het V-formulier van 28 maart 2018 met bijlagen van advocaat van de vrouw, ingekomen op 30 maart 2018;
- het V-formulier van 9 april 2018 met bijlagen van de advocaat van de man.
3.De feiten
- [de jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 1999 (hierna: [de jongmeerderjarige] ) te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2003 (hierna: [minderjarige] ) te [geboorteplaats] .
4.De omvang van het geschil
- nihilstelling, althans verlaging, van de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2016, althans met ingang van een datum die de rechtbank juist acht;
- een verklaring voor recht dat de vrouw vanaf 1 juni 2013, althans vanaf een datum die de rechtbank juist acht, tot en met heden en voor zolang [de jongmeerderjarige] niet bij de vrouw woont, geen aanspraak kan maken op kinderalimentatie en dat de vrouw alle executiemiddelen dient te staken en gestaakt dient te houden;
- dat artikel 2.9 uit het ouderschapsplan komt te vervallen.
- het verkrijgen van een verklaring voor recht;
- wijziging van omstandigheden;
- de ingangsdatum;
- de rangorde tussen de onderhoudsplichtigen en het aandeel van de heer [partner] in de kosten van [de jongmeerderjarige] en [minderjarige] ;
- vervallenverklaring artikel 2.9 van het ouderschapsplan.
5.De motivering van de beslissing
- de man: € 757,33 per maand;
- de vrouw: € 277,62 per maand;
- [partner] : € 1.218,91 per maand.
Ten aanzien van de man
Ten aanzien van de vrouw
Ten aanzien van [partner]
tot1 januari 2018 in staat zijn om volledig in de behoefte van [de jongmeerderjarige] en [minderjarige] te voorzien; met ingang van deze datum schiet de draagkracht echter tekort.
nietuitgegaan van een gelijke rang en heeft de man een hoger aandeel toegekend in de kosten van de kinderen met als gevolg dat de man voor de ene helft in de totale behoefte van de kinderen voorziet en de vrouw en [partner] gezamenlijk in de andere helft. In zijn appelschrift heeft de man aangevoerd dat de rechtbank hiermee buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Ter zitting van het hof heeft de man deze grief ingetrokken.
totaal: € 818,- per maand
totaal: € 835,- per maand
op € 152,- totaal per maand(275 – 123).
op € 38,- totaal per maand(163 – 125)
€ 253,- totaal per maand(362 – 109).
- € 76,- per kind per maand in de periode van 1 december 2016 tot 12 april 2017;
- € 19,- per kind per maand in de periode van 12 april 2017 tot 1 januari 2018;
- € 126,50 per kind per maand met ingang van 1 januari 2018.
6.De slotsom
7.De beslissing
- € 76,- per kind per maand in de periode van 1 december 2016 tot 12 april 2017;
- € 19,- per kind per maand in de periode van 12 april 2017 tot 1 januari 2018;
- € 126,50 per kind per maand met ingang van 1 januari 2018, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;