ECLI:NL:GHSHE:2018:2599

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
8 juni 2018
Publicatiedatum
18 juni 2018
Zaaknummer
20-002268-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 57 SrArt. 63 Sr
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging gevangenisstraf voor mishandeling, bedreiging en bezit pepperspray

In deze strafzaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De verdachte was vrijgesproken van één mishandelingsfeit, maar veroordeeld voor andere mishandeling, bedreiging met een misdrijf tegen het leven en het bezit van een busje pepperspray. De rechtbank legde een gevangenisstraf van drie maanden op, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en een bijzondere voorwaarde omtrent het betreden van het Centraal Station van Breda.

Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor het mishandelingsfeit waarvoor de verdachte was vrijgesproken, omdat hoger beroep tegen een vrijspraak niet openstaat. Voor de overige feiten bevestigde het hof het vonnis van de rechtbank. De verdediging had gepleit voor een lagere straf, maar het hof vond de straf passend gelet op de ernst van de feiten, de persoon van verdachte en diens strafblad.

Het hof voegde aan de door de rechtbank aangehaalde wetsartikelen artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht toe, dat betrekking heeft op de strafmaat. De bijzondere voorwaarde omtrent het verbod om het station te betreden bleef gehandhaafd. Het vonnis werd op 8 juni 2018 uitgesproken door een meervoudige kamer van het gerechtshof.

Uitkomst: Bevestiging gevangenisstraf van drie maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, voor mishandeling, bedreiging en bezit van pepperspray.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer : 20-002268-17
Uitspraak : 8 juni 2018
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 juli 2017 in de strafzaak met parketnummer 02-800128-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [in het jaar] 1996,
wonende te [adres] ,
ook wel verblijvende te: [verblijfsadres] .
Hoger beroep
Bij vonnis, waarvan beroep, heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde mishandeling en is verdachte ter zake van mishandeling (feit 2), bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (feit 3) en het voorhanden hebben van een busje pepperspray (feit 4) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren. Als bijzondere voorwaarde heeft de rechtbank gesteld dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in het gebouw van het Centraal Station van de NS (inclusief het busstation) te Breda of binnen een straal van 100 meter van alle ingangen van dit stationsgebouw. Tevens heeft de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Namens verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Blijkens de inhoud van de ‘akte rechtsmiddel’ van 17 juli 2017 is het hoger beroep namens verdachte onbeperkt ingesteld. Dit hoger beroep is niet beperkt door een partiële intrekking.
Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat er voor een verdachte geen hoger beroep open van een vrijspraak. Het hof zal derhalve, mede gelet op het bepaalde in artikel 407, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.
Al hetgeen hierna wordt overwogen heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen, te weten de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens verdachte door diens raadsman naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.
De verdediging heeft:
  • vrijspraak van het onder 2 en 3 ten laste gelegde bepleit;
  • zich gerefereerd aan het oordeel van het hof met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde feit;
  • verzocht om oplegging van een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met aanvulling van de door de rechtbank aangehaalde wetsartikelen met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Ten aanzien van de straftoemeting is in hoger beroep door de verdediging aangevoerd dat oplegging van een geldboete, gelet op het strafblad van verdachte, thans een gepasseerd station is, maar dat een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest van 17 dagen een passende straf zou zijn, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 of 2 maanden.
Het hof is, anders dan de verdediging, maar met de rechtbank en de advocaat-generaal, van oordeel dat de in eerste aanleg opgelegde straf een passende is, gelet op de ernst van het feit, de persoon van verdachte en de inhoud van diens strafblad. Het hof bevestigt derhalve ook de strafoplegging in hoger beroep. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 ten laste gelegde.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. F. van Es, voorzitter,
mr. A.J.M. van Gink en mr. J. Huurman-van Asten, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 8 juni 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.