In deze civiele zaak staat een geschil centraal over een aannemingsovereenkomst voor verbouwingswerkzaamheden aan een woning. De aannemer, oorspronkelijk een Belgische vennootschap, vordert betaling van een openstaand bedrag van €30.459,21 plus rente en incassokosten van de opdrachtgever. De opdrachtgever betwist de vordering, onder meer met een beroep op een contante betaling van €37.900 die hij heeft gedaan, de rechtsgeldigheid van de cessie van de vordering aan de eiser, en verjaring.
De rechtbank Limburg wees de vordering af op grond van bewijs dat de opdrachtgever de contante betaling had gedaan. Het hof stelt vast dat de vijf offertes samen één overeenkomst vormen en bevestigt dat de gewone verjaringstermijn van vijf jaar geldt, maar dat deze is gestuit door aanmaningen. Het hof oordeelt dat de cessie rechtsgeldig is, aangezien de volmacht daartoe door de zaakvoerder is verleend en bekrachtigd.
Met betrekking tot de betwiste contante betaling van €37.900 concludeert het hof dat de opdrachtgever onvoldoende bewijs heeft geleverd. De getuigenverklaringen zijn onvoldoende overtuigend en de verklaringen van de aannemer en diens zonen ondersteunen het standpunt van de eiser. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vordering van de aannemer toe, inclusief wettelijke rente en incassokosten. De opdrachtgever wordt veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.