Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/305838 / HA ZA 15-658)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met producties;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met productie;
- de akte van de zijde van de vrouw;
- de antwoordakte van de zijde van de man.
3.De beoordeling
Gemeenschappelijke huishouding
aIndien de overeenkomst eindigt in onderling overleg, door de opzegging als bedoeld in artikel 7 lid Pro a. of lid c. dienen de gemeenschappelijke goederen zo spoedig mogelijk door partijen bij helfte te worden verdeeld.”
i) om binnen twee weken na betekening van het te wijzen arrest:
- de investeringen in de woning (grief 1);
- de geldopnames door de eenmanszaak (grief 2);
- de geldlening door de BV van de man (grief 3);
- de spaargelden (grief 4);
- de kredietovereenkomst (grief 5);
- de inboedel (grief 6);
- de geldlening van € 7.500,-- (grief 7);
- de geldleningen van € 2.420,-- en € 3.078,12 (grief I)
manlegt aan zijn grief het volgende ten grondslag.
[plaats 2] overgedragen aan een derde. De overwaarde van die woning bedroeg € 11.622,19. Deze overwaarde is door de notaris overgemaakt naar de gezamenlijke bankrekening van partijen ( [gezamenlijke bankrekeningnummer van partijen] ). In eerste aanleg heeft de man abusievelijk de helft van dit bedrag gevorderd. Thans vordert hij veroordeling van de vrouw tot betaling aan hem van dit gehele bedrag. Dit bedrag is besteed aan verfraaiingen c.q. verbeteringen van de woning.
vrouwheeft de grief weersproken. Zij stelt dat het bedrag van € 11.622,19 door de notaris (productie 26 eerste aanleg) is overgemaakt naar de privérekening van de man ( [privérekening van de man] ). De man legt geen stukken over waaruit blijkt dat vanuit zijn privévermogen investeringen zijn gedaan in de woning. Dit was overigens niet nodig omdat de woning “instapklaar” was en geen grote investeringen nodig waren. De vrouw verwijst hiervoor naar een verklaring van de vorige eigenaar (productie E).
hofstelt bij de beoordeling van deze grief het volgende voorop.
geïnvesteerd(curs. hof) in de woning (en vervolgens, indien dit kan worden vastgesteld, of de man daarvoor een vergoedingsrecht toekwam).
rechtbankoordeelde (in rov. 3.14) dat niet art. 3 lid Pro c maar art. 2 lid Pro b van de samenlevingsovereenkomst van toepassing is. Hiertoe overwoog de rechtbank:
manricht zich tegen rov. 3.14. en in het bijzonder de afwijzing van de vordering. De man legt aan zijn grief het volgende ten grondslag.
- er zijn geen afspraken gemaakt over tussentijdse vergoedingen;
- de samenlevingsovereenkomst bevat een verrekenbeding dat gaat gelden bij het einde van de overeenkomst;
- sprake was van een structureel tekort en dan ligt het niet voor de hand dat partijen onderlinge vorderingen gaan berekenen.
vrouwheeft de grief bestreden. Zij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.
hofoverweegt als volgt.
zakendie door partijen zijn aangeschaft ten behoeve van de huishouding, waarbij te denken valt aan een auto, witgoed, meubels en dergelijke. Dit blijkt ook uit de overige bewoordingen van artikel 3 lid Pro c waarin wordt gesproken over aflossing naar deelgerechtigdheid in de eigendom van deze zaken. Uit het overzicht dat de man als productie 24 in het geding heeft gebracht blijkt, naast een aantal onduidelijke bestedingen, wel van uitgaven in de supermarkt en geldopnames in de vakantie, maar niet van aanschaf van zaken in voornoemde zin. Het algemene bewijsaanbod van de man wordt gepasseerd. Dit betekent dat de vordering sub b van de man wordt afgewezen.”
manbestrijdt voornoemd oordeel. Hij voert hiertoe het volgende aan.
vrouwhandhaaft ten aanzien van deze vordering haar standpunt zoals verwoord in rov. 3.7.3. dat er kort gezegd op neer komt dat de man niet inzichtelijk heeft gemaakt wat zijn inkomen (uit de BV) is geweest, zodat het hof niet kan beoordelen of de besteding daarvan naar evenredigheid is geschied in relatie tot het inkomen van de vrouw. Bovendien bevat de door de man opgestelde lijst (productie G) bevat onjuistheden en onduidelijkheden.
hofoverweegt als volgt.
manbetoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn vordering heeft afgewezen. Hij voert hiertoe het volgende aan. Uit productie H blijkt dat tussen maart 2012 en februari 2015 in totaal 18 overboekingen van de gezamenlijke rekening naar de privérekening van de vrouw hebben plaatsgevonden. De totale waarde daarvan bedroeg € 14.834,--. In diezelfde periode zijn er 10 overboekingen geweest van de rekening van de vrouw naar de gezamenlijke rekening van partijen voor een bedrag van € 5.740,--.
- 1 maart 2012 € 500,--
- 11 september 2012 € 4.250,--
- 21 februari 2013 € 1.850,--
- 5 maart 2013 € 100,--
- 27 maart 2013 € 10,--
- 15 april 2013 € 100,--
- 17 mei 2013 € 430,--
- 6 juni 2013 € 3.000,--
- 19 augustus 2013 € 150,--
- 30 september 2013 € 75,--
- 20 februari 2014 € 50,--
- 2 april 2014 € 100,--
- 21 mei 2014 € 40,--
- 30 mei 2014 € 139,--
- 30 mei 2014 € 250,--
- 18 juni 2014 € 90,--
- 13 februari 2015 € 1.900,--
- 19 december 2015
- 21 september 2012 € 400,--
- 17 oktober 2012 € 500,--
- 31 oktober 2012 € 500,--
- 28 november 2012 € 1.200,--
- 4 december 2012 € 300,--
- 28 december 2012 € 600,--
- 1 februari 2013 € 500,--
- 21 februari 2013 € 1.200,--
- 25 maart 2013 € 500,--
- 18 juni 2014
- 1 maart 2012 € 500,--
- 5 maart 2013 € 100,--
- 27 maart 2013 € 10,--
- 15 april 2013 € 100,--
- 17 mei 2013 € 430,--
- 6 juni 2013 € 3.000,--
- 19 augustus 2013 € 150,--
- 30 september 2013 € 75,--
- 20 februari 2014 € 50,--
- 2 april 2014 € 100,--
- 21 mei 2014 € 40,--
- 30 mei 2014 € 139,--
- 30 mei 2014 € 250,--
- 18 juni 2014 € 90,--
- 19 december 2015
rechtbank, naar aanleiding van de vordering van de man tot veroordeling van de vrouw om de helft van een openstaand saldo (€ 6.289,98 / 2 = € 3.144,99) van een door de man in 1999 afgesloten Variabel Krediet bij de ING Bank (nr. [rekening variabel krediet in de ING Bank] ) aan hem te voldoen als volgt:
manheeft schulden gemaakt om te kunnen voorzien in de kosten van de huishouding. Hij heeft een “Variabel Doorlopend Krediet” afgesloten dat tijdens het uiteengaan van partijen opgenomen was voor een bedrag van € 6.289,98 (productie 1 bij dagvaarding eerste aanleg). De vrouw dient de man de helft van dit saldo te vergoeden.
vrouwheeft de grief weersproken.
hofoordeelt als volgt.
rechtbankheeft de reconventionele vordering van de vrouw van € 7.500,-- toegewezen. Over de vorderingen van € 2.420,-- en € 3.078,-- heeft de rechtbank geoordeeld – kort gezegd – dat de vrouw niet aan de op haar rustende stelplicht heeft voldaan.
vrouwheeft de grief weersproken.
hofoverweegt als volgt.
vrouwbetoogt met haar grief in het incidenteel appel dat haar BV een tweetal bedragen (€ 2.420,-- en € 3.078,12) voor de man heeft voldaan. De BV van de vrouw heeft haar vorderingen op de man gecedeerd aan de vrouw. De door de vrouw ten behoeve van de man betaalde facturen hebben betrekking op werkzaamheden die zijn verricht door [groep accountants en belastingadviseurs] Groep accountants en belastingadviseurs (hierna: [groep accountants en belastingadviseurs] ) voor de BV en de eenmanszaak van de man (productie H). Door [groep accountants en belastingadviseurs] zijn, ook nog na het eerste gesprek dat de man met [groep accountants en belastingadviseurs] heeft gevoerd, nadere werkzaamheden voor de man verricht (productie L).
manvoert ter bestrijding van de grief van de vrouw het volgende aan.
manheeft deze zaken nog niet ontvangen en vordert daarom veroordeling van de vrouw tot afgifte daarvan op straffe van een eenmalige dwangsom van € 7.500,--. Deze zaken dienen te worden afgegeven in de staat waarin deze zin in april 2015 bevonden.
vrouwvoert aan dat zij de kerststal in december 2016 aan de man heeft geretourneerd. Verder heeft zij de man op 25 april 2016, bij monde van haar advocaat, gemeld dat zij de fiets aan hem wil afgeven. De man heeft hier niet op gereageerd. Het tuingereedschap, de miniatuurauto’s van de man, het speelgoed, de poppen en de boeken van de man zijn niet (meer) in het bezit van de vrouw.
hofoverweegt dat partijen ter comparitie in eerste aanleg zijn overeengekomen dat “de vrouw de fiets, het tuingereedschap en de kerststal aan de man zal doen toekomen alsmede de boeken en de miniatuurauto’s zodra zij deze gevonden heeft”. Thans kan niet kan worden vastgesteld dat de vrouw de roerende zaken waarvan de man afgifte vordert heeft gevonden of (nog) onder zich heeft. De vrouw kan daarom niet worden veroordeeld tot afgifte daarvan (en zelfs al zou komen vast te staan dat de vrouw deze zaken wel in haar bezit had, ook dan kan zij niet tot afgifte van de goederen in 2018 in de staat waarin deze zich in 2015 bevonden, worden veroordeeld). Aan de beoordeling van de vraag of grond bestaat voor het verbinden van een dwangsom aan die veroordeling komt het hof derhalve niet toe. Grief 6 faalt.