Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 8 oktober 2015;
- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 20 februari 2017;
- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 23 februari 2017;
- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 13 maart 2017.
- de vrouw, bijgestaan door mr. Smit;
- de man, bijgestaan door mr. Wijnands.
3.De beoordeling
manheeft in het beroepschrift aangevoerd dat de vrouw zelf in haar behoefte kan voorzien. Hij voert hiertoe het volgende aan.
vrouwheeft dit weersproken. Zij stelt het volgende.
hofis van oordeel dat de vrouw genoegzaam heeft aangetoond dat zij thans niet de door de man genoemde opleiding volgt, maar dat dit oude informatie betreft.
vrouw. Zij stelt het volgende.
manheeft verweer gevoerd. Hij stelt dat de hulp van de zus er uiteindelijk toe heeft geleid dat hij zijn huidige WIA-uitkering ontvangt, zodat de kosten hiervoor in feite een investering zijn geweest om nu nog partneralimentatie te kunnen betalen.
hofis van oordeel dat de man, tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw, niet dan wel onvoldoende heeft onderbouwd dat hij een schuld heeft aan de zus. Ter onderbouwing van de schuld heeft de man een door de zus opgemaakte urenstaat in het geding gebracht, alsmede de aangifte Inkomstenbelasting 2012 van de zus. De op de urenstaat vermelde gedeclareerde kosten over het jaar 2012 van € 5.900,-- corresponderen evenwel niet met de aangifte IB, waarop achter de post “opbrengst uit overig werk” een bedrag van (slechts) € 750,-- staat vermeld, zodat de aangifte IB niet als een bewijs van de gestelde kosten kan dienen.