Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij H-formulier van 10 januari 2018 door [appellant] toegezonden producties, die bij pleidooi in het geding zijn gebracht.
6.De beoordeling
ofwel in onderling overleg;
ofwel bij onderling goedvinden door één expert;
(...)
Blijkens een op diezelfde dag gedateerde “AKKOORDVERKLARING herbouwwaarde” heeft [appellant] eveneens verklaard akkoord te gaan met een “herbouwwaarde” van € 1.412.805,00 (te weten: woonhuis/opstal in totaal € 1.339.405,00 + inboedel € 58.900,= + opruimkosten € 2.500,= en verblijfskosten € 12.000,=).
Dit betoog verwerpt het hof omdat het berust op een onjuiste lezing van het vonnis.
De rechtbank heeft niet geoordeeld dat de zorgplicht van de [geïntimeerde] als assurantietussenpersoon zover gaat dat zij zelf taxaties zou moeten laten uitvoeren als de verzekeringnemer dat niet doet.
Uit de door [geïntimeerde] zelf overgelegde aantekeningen uit haar dossier blijkt dat zij in 2006 met [appellant] concrete afspraken heeft gemaakt over het laten uitvoeren van een taxatie door [appellant] , waarbij zij [appellant] (in tweede instantie) heeft gewezen op het belang daarvan in verband met de herbouwwaarde (zie onder 6.1.b). Weliswaar heeft [geïntimeerde] vervolgens van [appellant] nooit de afgesproken taxatie ontvangen, maar gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] na 2006 op enig moment nog bij [appellant] gevraagd heeft hoe het ermee stond, laat staan dat zij periodiek nog heeft gecontroleerd en [appellant] heeft gewezen op het risico van onderverzekering bij het uitblijven van de taxatie. Desgevraagd heeft [appellant] verklaard dat hij zich het belang van de taxatie ter voorkoming van onderverzekering niet bewust is geweest, dat [geïntimeerde] hem daar nooit expliciet op heeft gewezen en dat er ook geen jaarlijkse gesprekken over de verzekeringen hebben plaatsgevonden, maar dat hij enkel jaarlijks polisbladen ontving. [geïntimeerde] heeft dat niet weersproken en desgevraagd ter gelegenheid van het pleidooi duidelijk gemaakt dat in beginsel jaarlijks (slechts) de polis naar de verzekerde wordt gestuurd in de verwachting dat de verzekerde er zelf melding van maakt als er iets niet klopt.
Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen deze feiten de conclusie dat [geïntimeerde] bij de woonhuisverzekering in elk geval na 2006 niet meer proactief is blijven waken tegen onderverzekering en ook niet meer periodiek gecontroleerd heeft, noch dat [geïntimeerde] [appellant] expliciet heeft gewezen op het risico van onderverzekering als taxatie uitbleef. Het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] bij de woonhuisverzekering is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende zorgplicht, wordt dan ook gedeeld door het hof. Dat betekent dat [geïntimeerde] de schade die daaruit voortvloeit voor [appellant] , dient te vergoeden.
Terecht wijst [geïntimeerde] erop dat de woonhuisverzekering een schadeverzekering betreft en voert zij, onder verwijzing naar het indemniteitsbeginsel en het bepaalde in art. 6 lid 3 van Pro de polisvoorwaarden, aan dat de totale uitkering nooit meer zal zijn dan de kosten die werkelijk besteed zijn aan herstel of herbouw. In zoverre slaagt grief I in incidenteel appel, waarmee [geïntimeerde] aan de orde stelt dat zij niet tot meer gehouden kan worden dan waartoe [verzekeringsmaatschappij] zou zijn gehouden op basis van de in de hypothetische situatie afgesloten verzekering.
Uitgaande van het indemniteitsbeginsel, betreft de door [geïntimeerde] te vergoeden schade dan alleen nog het bedrag dat (boven het nog te besteden restant van de uitgekeerde som, te weten € 31.652,90) nodig is om de herbouw te (laten) voltooien.