ECLI:NL:GHSHE:2018:1385
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging niet-ontvankelijkheid verzoek toelating schuldsaneringsregeling wegens ontbreken minnelijk traject
Appellanten hebben bij de rechtbank verzocht om toepassing van de schuldsaneringsregeling vanwege een hoge schuldenlast. De rechtbank verklaarde hen niet-ontvankelijk omdat zij voorafgaand aan het verzoek geen poging hadden gedaan tot een buitengerechtelijke schuldregeling, zoals vereist in artikel 285 lid 1 sub f Faillissementswet Pro.
In hoger beroep betoogden appellanten dat hun advocaat namens hen had getracht een verklaring te verkrijgen die de afwezigheid van een minnelijk traject rechtvaardigt, en dat volgens jurisprudentie van de Hoge Raad een dergelijke verklaring voldoende zou moeten zijn. Tevens stelden zij dat een minnelijk traject nutteloos zou zijn geweest vanwege de weigering van een grote schuldeiser mee te werken.
Het hof oordeelde dat appellanten ontvankelijk zijn in het hoger beroep, maar bevestigde dat het wettelijke uitgangspunt is dat een schuldenaar een poging moet doen tot een buitengerechtelijke regeling. Omdat appellanten zelf erkenden dat zij geen minnelijk traject hadden doorlopen en geen akkoord aan schuldeisers hadden aangeboden, kon het verzoek niet worden toegewezen.
Het hof verwierp het beroep op de verklaring van de advocaat als gelijkwaardig aan die van een curator en bekrachtigde de niet-ontvankelijkverklaring van de rechtbank. Een inhoudelijke beoordeling van het verzoek en het beroep op de hardheidsclausule werd achterwege gelaten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wegens het ontbreken van een minnelijk traject.