ECLI:NL:GHSHE:2018:1196
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging weigering toelating schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw
Appellant verzocht om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling vanwege een totale schuldenlast van bijna €494.000, waarvan €222.333 aan een grote schuldeiser. De rechtbank wees het verzoek af omdat niet aannemelijk was dat appellant te goeder trouw was geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
De rechtbank motiveerde dit met het feit dat appellant onverplicht contracten had mede-ondertekend die hem aansprakelijk stelden voor aanzienlijke schulden, terwijl hij geen mede-eigenaar was en geen inkomen genoot. Bovendien was een eerdere onderneming van appellant kort daarvoor failliet gegaan, wat de handelwijze lichtvaardig maakte.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij te goeder trouw had gehandeld en dat het faillissement van zijn eerdere onderneming geen onbehoorlijk bestuur betrof. Hij stelde ook dat hij als natuurlijk persoon handelde en niet als bestuurder van de BV. Het hof oordeelde echter dat appellant niet te goeder trouw was, mede gelet op het faillissementsverslag van de onderneming van zijn partner en het ontbreken van bewijs dat een minnelijk traject was doorlopen.
Het hof concludeerde dat de rechtbank terecht het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling had afgewezen en bekrachtigde het vonnis.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de weigering tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw.