Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[de vennootschap] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/02/303690, rolnummer HA ZA 15-542)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met eiswijziging;
- het exploot van anticipatie van 20 september 2016;
- de memorie van grieven met een productie en een vermeerdering van eis;
- de memorie van antwoord.
3.De beoordeling
- Onder de naam [handelsnaam] exploiteert [geïntimeerde 1] een kampeerterrein te [plaats 1] (hierna: het park). Het park wordt beheerd door [geïntimeerde 2] , die de (enige) beherend vennoot is van [geïntimeerde 1] .
- [appellant] heeft vanaf augustus 2007 een staanplaats gehuurd op het park. Op de staanplaats was een stacaravan (hierna: het chalet) geplaatst, waarvan [appellant] de eigendom heeft verworven. In verband met de aanvang van de huur heeft [geïntimeerde 1] aan [appellant] een welkomstbrief van 16 juli 2007 doen toekomen. In die brief staat onder meer het volgende:
- [geïntimeerde 1] heeft [appellant] in december 2013 een factuur ten bedrage van € 5.650,58 toegezonden ter zake onder meer de huur voor 2014 en het voorschot op de energie- en waterkosten voor 2014.
- [appellant] heeft in mindering op de factuur € 2.000,- betaald. Bij brief van 27 december 2013 heeft [appellant] aan [geïntimeerde 1] meegedeeld dat hij betaling van het restant van € 3.650,58 opschort totdat bepaalde in de brief door [appellant] genoemde problemen (met betrekking tot het internetsignaal en het doorsturen van post) zijn opgelost.
- Bij brief van 10 januari 2014 heeft [geïntimeerde 1] aan [appellant] het volgende meegedeeld:
- Bij brief van 4 februari 2014 heeft [geïntimeerde 1] [appellant] gesommeerd uiterlijk 12 februari 2014 het nog niet betaalde bedrag te voldoen. [geïntimeerde 1] heeft [appellant] er in deze brief voorts op gewezen dat zij op grond van artikel 6 lid 2 van Pro de Recron-voorwaarden het recht heeft om de overeenkomst met [appellant] met onmiddellijke ingang te beëindigen indien [appellant] ondanks schriftelijke aanmaning zijn betalingsverplichting niet binnen twee weken behoorlijk nakomt.
- Aan deze sommatie heeft [appellant] geen gevolg gegeven.
- Op de ochtend van 4 maart 2014 heeft [geïntimeerde 2] getracht om namens [geïntimeerde 1] aan [appellant] een brief te overhandigen. [appellant] heeft toen geweigerd om de brief in ontvangst te nemen en met [geïntimeerde 2] te spreken. [appellant] heeft kort daarna met de auto het park verlaten. Over hetgeen zich daarbij precies heeft afgespeeld, verschillen de partijen van mening. In de middag van 4 maart 2014 is [appellant] teruggekeerd naar het park. [geïntimeerde 2] heeft [appellant] toen alsnog de eerder genoemde brief overhandigd. In die brief is aan [appellant] meegedeeld dat [geïntimeerde 1] de overeenkomst voor het gebruik van de staanplaats tussentijds met onmiddellijke ingang opzegt wegens – met name – het niet betalen van de factuur van december 2013. In de brief is aan [appellant] voorts de toegang tot het park ontzegd met ingang van 4 maart 2014, 16.00 uur.
- Op de middag van 4 maart 2014 heeft [geïntimeerde 2] aan [appellant] voorts een tweede brief overhandigd waarin onder meer het volgende staat:
- In de nacht van 4 op 5 maart 2014 heeft [geïntimeerde 2] het chalet van [appellant] met een hijskraan van de standplaats verwijderd en op de openbare weg gezet.
- De gemeente [gemeente] heeft het chalet op 7 maart 2014 af laten voeren naar Caravanhandel [caravanhandel] (hierna: [caravanhandel] ) in [plaats 2] . De gemeente heeft in verband daarmee € 726,-- in rekening gebracht aan [appellant] ter zake transport- en opslagkosten.
- [appellant] heeft het chalet vervolgens verkocht aan [caravanhandel] voor € 7.000,--.
- [geïntimeerde 1] heeft de overeenkomst met [appellant] rechtsgeldig beëindigd per 4 maart 2014 en [appellant] rechtsgeldig met onmiddellijke ingang de toegang tot het park ontzegd. De schade die [appellant] daardoor heeft geleden hoeft [geïntimeerde 1] dus niet te vergoeden (rov. 4.1).
- [geïntimeerde 1] is tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst door aan [appellant] geen redelijke termijn te bieden om de staanplaats ontruimd op te leveren (rov. 4.2).
- [geïntimeerde 1] heeft onrechtmatig jegens [appellant] gehandeld door het chalet van [appellant] op 5 maart 2014 op de openbare weg te plaatsen. [geïntimeerde 1] is aansprakelijk voor de schade die [appellant] daardoor heeft geleden (rov. 4.3).
- De schade die [appellant] door de tekortkoming en de onrechtmatige daad van [geïntimeerde 1] heeft geleden, bestaat slechts uit het bedrag van € 726,-- dat [appellant] aan de gemeente heeft moeten voldoen. De andere door [appellant] gestelde schadeposten zijn niet toe te rekenen aan de tekortkoming of het onrechtmatige handelen van [geïntimeerde 1] .
- [geïntimeerde 1] moet als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het geding in conventie worden veroordeeld (rov. 4.5).
- voor recht verklaard dat ‘gedaagde’ onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [appellant] en zodoende aansprakelijk is voor de schade die [appellant] als gevolg daarvan heeft geleden;
- ‘gedaagde’ veroordeeld om aan [appellant] € 726,-- te betalen;
- ‘gedaagde’ in de proceskosten van het geding in conventie veroordeeld;
- het in conventie meer of anders gevorderde afgewezen.
- [appellant] veroordeeld om aan ‘eiseres’ € 1.343,43 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 20 december 2013;
- [appellant] in de proceskosten aan de zijde van ‘eiseres’ veroordeeld.
- voor recht heeft verklaard dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] onrechtmatig hebben gehandeld tegenover [appellant] en zodoende aansprakelijk zijn voor de schade die [appellant] als gevolg daarvan heeft geleden;
- [geïntimeerde 1] en [appellant] in de proceskosten van het geding in conventie heeft veroordeeld.
- het alsnog toewijzen van zijn vermeerderde eis in conventie;
- het alsnog afwijzen van de vorderingen van ‘geïntimeerde’ in reconventie;
- A. € 75.000,-- ter zake het verschil tussen de koopprijs die [appellant] voor het chalet heeft ontvangen (€ 7.000,--) en de koopprijs die hij had kunnen verkrijgen indien hij het chalet staande op de standplaats met aangelegde tuin te koop zou hebben aangeboden;
- B. € 3.277,-- omdat [appellant] zijn auto heeft moeten verkopen om in zijn kosten van bestaan te voorzien;
- C. € 19.666,67 ter zake het verlies dat [appellant] heeft geleden op zijn aandeel in het appartement van zijn overleden moeder, dat hij voor een relatief laag bedrag heeft moeten verkopen aan zijn twee broers;
- D. € 1.800,-- aan gederfde huuropbrengsten van het genoemde appartement, over de periode waarin [appellant] geen eigenaar meer was van dat appartement.
4.De uitspraak
- veroordeelt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk, aldus dat als de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, in conventie om aan [appellant] € 3.726,-- te betalen;
- compenseert de proceskosten van het geding in eerste aanleg in conventie tussen de partijen, aldus dat elke partij de eigen proceskosten moet dragen;
- wijst de vorderingen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in reconventie af;
- veroordeelt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de proceskosten van het geding in eerste aanleg in reconventie, en begroot die proceskosten aan de zijde van [appellant] tot op heden op € 384,-- aan salaris advocaat;