Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
8.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 12 juli 2016;
- het proces-verbaal van de enquête van 3 oktober 2016;
- de memorie na enquête van [appellant] .
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak in hoger beroep bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch vordert appellant de vaststelling dat geïntimeerde de auto van appellant heeft verduisterd of gestolen. Appellant baseert zijn vordering op het feit dat geïntimeerde de auto op een dag in maart 2011 onder zich had en deze niet heeft teruggebracht.
Tijdens de enquête zijn twee getuigen gehoord die verklaren dat geïntimeerde de auto die dag onder zich had, maar dat er geen duidelijke aanwijzingen zijn dat geïntimeerde de auto zonder geldige titel heeft gehouden. Appellant heeft zelf en geïntimeerde niet als getuigen gehoord. Het hof oordeelt dat appellant niet heeft bewezen dat geïntimeerde de auto onrechtmatig onder zich hield en dat de bewijslast hiervoor bij appellant ligt.
Appellant stelde ook dat geïntimeerde de auto niet mocht houden omdat hij niet aan een afspraak had voldaan, maar dit werd door het hof niet in behandeling genomen wegens te late indiening en strijd met procesregels.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Limburg en wijst de vorderingen van appellant af. Appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, welke aan de zijde van geïntimeerde nihil worden begroot.
Uitkomst: De vorderingen van appellant wegens diefstal of verduistering van de auto worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs.