Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Onderzoek ter zitting
Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 29 november 2017, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.
Beslissing
verklaarthet hoger beroep ongegrond;
gelastdat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 170 vergoedt; en
veroordeeltde Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op, in totaal, € 1.113,75.
Gronden
Voor het geval het beroep van belanghebbende wel ontvankelijk is, verwijst de Inspecteur naar het arrest van de Hoge Raad van 14 november 2014, ECLI:NL:HR:3191, waaruit de Inspecteur concludeert dat het bestuursorgaan op grond van artikel 7:15, lid 3, van de Awb, bij uitspraak op bezwaar beslist op het verzoek om kostenvergoeding; een eventuele latere beslissing op het verzoek om kostenvergoeding completeert slechts de eerdere beslissing op het bezwaar. De beslissing op het verzoek om kostenvergoeding is slechts een deelbeslissing en geen zelfstandige beslissing op een aanvraag. Het verzoek om een kostenvergoeding is dus een onderdeel van het bezwaar en geen afzonderlijke aanvraag in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. De dwangsomregeling is daarom op het verzoek niet van toepassing. Voor zover belanghebbende in beroep komt tegen de dwangsombeschikking, is dit beroep volgens de Inspecteur niet ontvankelijk, omdat (nu niet beslist is op bezwaar tegen de dwangsombeschikking) niet voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 7:1 van Pro de Awb, aldus de Inspecteur.
Subsidiair stelt de Inspecteur zich op het standpunt, dat belanghebbende ook niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor het indienen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, als genoemd in artikel 6:12, lid 2 van de Awb.
24 november 2015, naar het oordeel van het Hof tijdig, want vóór 8 januari 2016, zijnde tien weken na ontvangst van het formulier op 30 oktober 2015, de dwangsombeschikking afgegeven.
Op grond van het bepaalde in artikel 6:10, lid 1, van de Awb, blijft niet ontvankelijkheidverklaring alsdan achterwege, indien het besluit ten tijde van de indiening reeds tot stand was gekomen, dan wel nog niet tot stand was gekomen, doch de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. Geen van beide situaties heeft zich hier voorgedaan. De beslissing van de Rechtbank is juist. Het hoger beroep is daarom ongegrond.
cassatie is gericht.