In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de door de appellant gekochte tweedehands shovel bij aflevering reeds een gebrek aan de vooras had. De appellant voerde aan dat het gebrek al bij aflevering aanwezig was en vorderde betaling van herstelkosten.
Het hof liet bewijs toe omtrent het gebrek en de herstelkosten, waarbij getuigen werden gehoord, waaronder de servicemonteur die de shovel inspecteerde en de vader van de directeur van appellant. Uit de verklaringen bleek dat de shovel in de periode na aflevering stil heeft gestaan en dat het gebrek aan de vooras niet bij stilstand kan ontstaan. Tevens was onduidelijk wanneer het gebrek precies was ontstaan.
De tegenpartij bracht naar voren dat er nooit olielekkage was waargenomen en dat er toezicht was op milieuwetgeving, wat het aannemelijk maakte dat het gebrek niet bij aflevering bestond. Het hof vond het bewijs van appellant onvoldoende om aan te tonen dat het gebrek reeds bij aflevering aanwezig was.
Daarmee werd de vordering afgewezen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Appellant werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep en het arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.