Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 2 mei 2017;
- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 6 juli 2017.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak vordert een klant van Rabobank vergoeding van een bedrag van €50.000,- dat van zijn bankrekening is verdwenen. De kernvraag is of sprake is van opzet of grove schuld van de klant zelf.
Het hof onderzocht het bewijs, waaronder inloggegevens en IP-adressen, en concludeerde dat de klant meerdere keren met zijn eigen apparaten en codes op zijn rekening heeft ingelogd in de periode waarin de transacties plaatsvonden. De klant kon niet aannemelijk maken dat hij pas op 30 december 2013 kennis had genomen van de wijzigingen, terwijl het bedrag al op 24 december 2013 was gestort.
Verder bleek dat limietverhogingen op de rekening waren verricht met gebruik van de bankpas, pincode en een randomreader, wat de bank onweerlegbaar aantoonde. Het hof oordeelde dat de klant zelf betrokken moet zijn geweest bij het verdwijnen van het geld of daarvan op de hoogte was, waardoor de bank terecht een beroep deed op zijn opzet of grove schuld.
De grieven van de klant faalden, het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd, en de klant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het incidenteel appel van de bank werd niet behandeld wegens niet voldoen aan de voorwaarden.
Uitkomst: De vordering van de klant tot vergoeding van verdwenen geld wordt afgewezen wegens opzet of grove schuld.