Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 4787616, rolnummer 16-1435)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de door [appellant] genomen memorie van grieven met een productie;
- de door [geïntimeerde] genomen memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met drie producties;
- de door [appellant] genomen memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, tevens akte in principaal hoger beroep, met een productie;
- de door [geïntimeerde] genomen antwoordakte.
3.De beoordeling
- [geïntimeerde] heeft aan [appellant] de woning aan de [adres] te [plaats] verhuurd.
- Op grond van de tekst van de huurovereenkomst diende [appellant] de maandelijkse huurprijs te voldoen vóór of uiterlijk op de eerste dag van de betreffende maand.
- [appellant] heeft in 2005 een huurachterstand laten ontstaan. Op 26 september 2005 heeft [geïntimeerde] haar vordering ter zake die huurachterstand uit handen gegeven. Daarna is met [appellant] een betalingsregeling getroffen op grond waarvan hij de achterstand in zes termijnen heeft afgelost.
- In september 2012 heeft [geïntimeerde] opnieuw een vordering op [appellant] ter zake huurachterstand uit handen gegeven. Na een sommatie door de gemachtigde van [geïntimeerde] heeft [appellant] de huurachterstand op 9 oktober 2012 voldaan.
- Op 18 juli 2013 heeft [geïntimeerde] opnieuw een vordering op [appellant] ter zake huurachterstand uit handen gegeven. Dit incassotraject is uitgemond in een vonnis van 19 december 2013, waarbij [appellant] is veroordeeld tot betaling van de huurachterstand. Via beslaglegging is de vordering uiteindelijk in juli 2014 voldaan.
- In de tweede helft van 2014 is opnieuw een huurachterstand ontstaan. [geïntimeerde] heeft deze vordering op [appellant] opnieuw uit handen gegeven. Nadat de dagvaarding was betekend heeft [appellant] de huurachterstand in januari 2015 voldaan. [geïntimeerde] heeft daarna om redenen van coulance de kosten van de dagvaarding voor eigen rekening genomen.
- Bij brief van 8 juni 2015 heeft de incassogemachtigde van [geïntimeerde] aan [appellant] onder meer het volgende meegedeeld:
- Bij brief van 23 juni 2015 heeft de incassogemachtigde van [geïntimeerde] [appellant] gesommeerd om uiterlijk op 30 juni 2015 € 1.030,41 te betalen (een hoofdsom van € 869,97 ter zake de huur over de maanden mei en juni 2015, € 157,91 aan incassokosten en € 2,53 aan vervallen rente).
- [appellant] heeft als productie 3 bij de verzetdagvaarding een overzicht overgelegd van de door hem in de periode van 25 september 2014 tot en met 24 november 2015 per bankoverboeking aan [geïntimeerde] gedane betalingen.
- [appellant] heeft op 11 januari 2016 – nadat het hierna te melden verstekvonnis van 19 november 2011 was gewezen – door middel van een pin-transactie € 445,86 aan [geïntimeerde] betaald ter zake de huur over de maand december 2015.
- € 1.337,58 aan achterstallige huur over de maanden september, oktober en november 2015, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 2 november 2015;
- € 157,91 aan incassokosten;
- € 3,70 aan reeds vóór 2 november 2015 vervallen wettelijke rente;
- de huur van € 445,86 per maand over de periode na 30 november 2015 tot aan het tijdstip van ontbinding van de huurovereenkomst;
- een gebruiksvergoeding € 445,86 per maand of gedeelte van een maand over de periode vanaf de ontbinding van de huurovereenkomst tot aan het tijdstip van ontruiming van de huurwoning;
- Het verzet is tijdig ingesteld. [appellant] is daarom ontvankelijk in het verzet (rov. 3.1.3 tot en met 3.1.3.2).
- [appellant] heeft de huur stelselmatig te laat betaald en is dus tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. Deze tekortkoming is niet van zodanig geringe betekenis dat ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [appellant] tot ontruiming van het gehuurde niet gerechtvaardigd is (rov. 3.2).
- Er is aan de zijde van [appellant] geen sprake van bijzondere omstandigheden die aan de ontbinding van de huurovereenkomst en de veroordeling tot ontruiming van het gehuurde in de weg staan (rov. 3.3).
- [appellant] heeft niet betwist dat [juridisch adviseur] op verzoek van [appellant] op 8 december 2015 telefonisch contact heeft opgenomen met het deurwaarderskantoor.
- [appellant] heeft niet gesteld dat hij in de betreffende periode (omstreeks 7 en 8 december 2015) niet elke nacht in zijn woning sliep. Daarom ligt het beslist niet voor de hand dat het op 7 december 2015 door de deurwaarder in een gesloten envelop (naar het hof aanneemt: in de brievenbus) achtergelaten exploot met het vonnis [appellant] niet heeft bereikt.
- Uit het (door [appellant] bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep overgelegde) proces-verbaal van de zitting bij de kantonrechter blijkt weliswaar dat [appellant] de Nederlandse taal niet goed beheerst maar tevens dat [juridisch adviseur] voor hem als tolk optreedt. Er is niet gesteld of gebleken dat [juridisch adviseur] en [appellant] tezamen de inhoud van het vonnis niet hebben kunnen begrijpen.
- [appellant] heeft geen aannemelijke andere oorzaak (dan de ontvangst van het verstekvonnis op 7 december 2015) gegeven voor het feit dat [juridisch adviseur] op 8 december 2015 namens [appellant] telefonisch contact heeft opgenomen met [geïntimeerde] .
- [geïntimeerde] heeft een schriftelijke verklaring van een voormalig medewerkster van het deurwaarderskantoor overgelegd, waarin deze medewerkster onder meer heeft verklaard, kort gezegd, dat [juridisch adviseur] in het telefoongesprek van 8 december 2015 meedeelde dat [appellant] de betekening van het vonnis had ontvangen en dat [juridisch adviseur] in dat gesprek vroeg of het bedrag van de te betalen kosten nog verlaagd zou kunnen worden.
- € 157,91 aan incassokosten;
- € 3,70 aan ten onrechte toegewezen (want over een onjuiste hoofdsom berekende) vóór 2 november 2015 vervallen wettelijke rente.
4.De uitspraak
door elk van partijen gelijktijdig te nemen akte, waarin:
- elk van partijen zich dient uit te laten over hetgeen in rov. 3.7.2 van dit arrest is overwogen;
- (eventueel) opgave moet plaatsvinden van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;