Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5091958 CV EXPL 16-3226)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het tegen [de vennootschap 1] verleende verstek;
- de memorie van grieven.
3.De beoordeling
- veroordeling van [de vennootschap 1] tot betaling van een hoofdsom van € 64.362,25 inclusief btw (welke hoofdsom is opgebouwd uit € 29.877,25 aan onbetaalde facturen en € 34.485,-- op grond van een deal tussen [de vennootschap 2] . en [Partners] );,
- veroordeling van [de vennootschap 1] tot betaling van € 22.700,-- aan verbeurde boetes;
- ontbinding van de franchiseovereenkomst;
- beperking van de termijn van het in de franchiseovereenkomst opgenomen concurrentiebeding.
- Het betoog van [appellant] dat [de vennootschap 1] op grond van de tussen partijen gemaakte afspraken over de periode van oktober/november 2011 tot en met september/oktober 2012 een managementvergoeding aan [appellant] verschuldigd is, moet worden verworpen (rov. 3.4).
- Het door [appellant] subsidiair gevoerde betoog dat [de vennootschap 1] op grond van de redelijkheid en de billijkheid over de periode van oktober/november 2011 tot en met september/oktober 2012 de gestelde managementvergoeding verschuldigd is, moet worden verworpen. De redelijkheid en billijkheid vormen geen zelfstandige grondslag voor de door [appellant] gevorderde bedragen (rov. 3.5).
- [de vennootschap 1] is de facturen [factuur 1] , [factuur 2] , [factuur 3] , [factuur 4] , [factuur 5] , [factuur 6] , [factuur 7] en [factuur 8] , die gebaseerd zijn op de door [appellant] gestelde managementovereenkomst, dus niet verschuldigd. Deze facturen belopen tezamen € 39.032,. Van het door [appellant] gefactureerde totaalbedrag (hof: van € 153.984,25) is dus € 39.032, niet verschuldigd, zodat een gefactureerd bedrag van € 114.952,25 resteert (rov. 3.6).
- [de vennootschap 1] is ter zake de deal tussen [de vennootschap 2] . en [Partners] € 34.485,-- aan [appellant] verschuldigd (rov. 3.14).
- In totaal was [de vennootschap 1] dus € 114.952,25 plus € 34.485,-- is € 149.437,25 aan [appellant] verschuldigd. Daarop in mindering komen de door [de vennootschap 1] aan [appellant] gedane betalingen van in totaal € 124.107,--, zodat een door [de vennootschap 1] aan [appellant] verschuldigd bedrag van € 25.330,25 resteert (rov. 3.15).
- De vordering tot ontbinding van de franchiseovereenkomst is toewijsbaar (rov. 3.19).
- Het meer of anders gevorderde is niet toewijsbaar.
- [de vennootschap 1] veroordeeld om aan [appellant] € 25.330,25 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW met ingang van 23 januari 2014;
- de franchiseovereenkomst ontbonden;
- [de vennootschap 1] in de proceskosten veroordeeld;
- het in conventie meer of anders gevorderde afgewezen.
- A. tot betaling van een schadevergoeding van € 300.000,--;
- B. tot afgifte van de juiste declaraties;
- C. tot terugbetaling van de helft van € 30.250,--.
- [appellant] heeft onrechtmatig jegens [de vennootschap 1] gehandeld door bij het e-mailbericht van 30 oktober 2015 aan twee franchisenemers mee te delen dat hij een geldvordering op [de vennootschap 1] had en dat hij in verband daarmee het faillissement van [de vennootschap 1] had aangevraagd. De schade die [de vennootschap 1] daardoor heeft geleden, moet begroot worden in een schadestaatprocedure. In zoverre is vordering A in reconventie toewijsbaar (rov. 3.13 en 3.14)
- Vordering B in reconventie is ten dele toewijsbaar (rov. 3.15 tot en met 3.17).
- Vordering C in reconventie is niet toewijsbaar (rov. 3.10 en 3.11);
- [appellant] moet als grotendeels in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in reconventie, welke kosten aan de zijde van [de vennootschap 1] op nihil moeten worden begroot (rov. 3.18).
- primair: een overeenkomst op grond waarvan [appellant] recht had op een vaste managementvergoeding per maand;
- subsidiair: de redelijkheid en billijkheid;
- meer subsidiair: (kort gezegd) een andere overeenkomst op grond waarvan [appellant] gerechtigd is de werkzaamheden te factureren (rov. 3.4 van het vonnis van 8 maart 2017).
4.De uitspraak
- de vordering van [appellant] in conventie is afgewezen;
- [appellant] in de proceskosten van het geding in conventie is veroordeeld;
- [appellant] bij dat vonnis in reconventie is veroordeeld om aan [de vennootschap 1] de schade te vergoeden die voortvloeit uit het op de hoogte brengen van de franchisenemers van [de vennootschap 1] van het geschil tussen [appellant] en [de vennootschap 1] , op te maken bij staat;
- [appellant] in de proceskosten van het geding in reconventie is veroordeeld;
- veroordeelt [de vennootschap 1] in conventie om aan [appellant] € 23.564,75 (inclusief btw) te betalen, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dat bedrag vanaf 2 oktober 2015;
- veroordeelt [de vennootschap 1] in de proceskosten van het geding in eerste aanleg in conventie, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 77,75 (exclusief btw) aan dagvaardingskosten, € 471,-- aan griffierecht en € 750,-- aan salaris gemachtigde;
- wijst de in reconventie ingestelde vordering tot betaling van schadevergoeding geheel af;
- veroordeelt [de vennootschap 1] in de proceskosten van het geding in eerste aanleg reconventie, en begroot die kosten aan de zijde van [appellant] tot op heden op € 125,-- aan salaris gemachtigde;