Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 februari 2017;
- het bij het beroepschrift overgelegde procesdossier van de eerste aanleg, waaronder aantekeningen van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 9 november 2016;
- het V6-formulier van [de vennootschap 1] met productie, ingekomen ter griffie op 11 april 2017;
- de op 19 april 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn verschenen:
3.De beoordeling
€ 6,14 bruto vakantie-uren.
Beide partijen kunnen de arbeidsovereenkomst tussentijds opzeggen tegen de eerstvolgende werkdag met inachtneming van opzegtermijnen zoals opgenomen in de cao.
“Doctors visit took plenty of time, recovery may take longer than was expected at the beginning. Crushed and twisted joints, muscles and nervous system, till now the joint recovered partly but there’s just part of the previous movement…”
Onderaan het document staat de volgende Engelse tekst:
“Herebye we want to inform you about the fact that we will fire you immediately. Because we have information that you have committed fraud about your Fysio rapports including the injury at your hand.
vermeerderd met € 62,68 bruto vakantiegeld, vermeerderd met 12,28 bruto vakantie-
uren en vermeerderd met de wettelijke verhoging;
De kantonrechter heeft het verzoek van [verweerder] tot een voorlopige voorziening afgewezen, omdat op hetzelfde verzoek in de hoofdzaak al een beslissing was gegeven.
van [verweerder] geheel althans gedeeltelijk af te wijzen dan wel de zaak terug te verwijzen
naar de kantonrechter voor inhoudelijke behandeling;
wegens onregelmatige opzegging en loon over de periode 12 tot 26 augustus 2016, al
dan niet vermeerderd met wettelijke rente en wettelijke verhoging, af te wijzen.
Nu [de vennootschap 1] in eerste aanleg niet is verschenen, bestond er voor de kantonrechter geen aanleiding om de mondelinge behandeling aan te houden. Van een schending van het recht op hoor en wederhoor kan gelet op het voorgaande niet worden gesproken.
Voor zover [de vennootschap 1] aanvoert dat de kantonrechter ten onrechte een billijke vergoeding heeft toegekend, omdat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [de vennootschap 1] overweegt het hof als volgt.
De rechtsgrond voor toewijzing van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 BW Pro is reeds gegeven met het oordeel dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen de regering hierover heeft medegedeeld in reactie op vragen en opmerkingen van de Vereniging Arbeidsrecht Advocaten Nederland (VAAN):
“De auteur vraagt duidelijkheid over de vraag of met de «billijke vergoedingen» zoals opgenomen in de artikelen 7:681 BW en 7:682, derde, vierde en vijfde lid, BW hetzelfde type vergoeding is bedoeld als de vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten zoals deze elders in het wetsvoorstel is opgenomen. Hierover bestaat in de literatuur discussie. Hierbij kan de regering bevestigen dat er sprake is van hetzelfde type vergoeding; in de artikelen 7:681 BW en 7:682, derde, vierde en vijfde lid, BW is er voor de daarin bedoelde specifieke gevallenreeds invulling gegeven aan de ernstige verwijtbaarheid.”(Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p. 113) [onderstreping hof].
Het is op dit moment nog niet duidelijk hoe lang het herstel van de hand van [verweerder] gaat duren en of er enige restbeperkingen zullen zijn. Afgezien van het letsel aan zijn hand heeft [verweerder] naar het oordeel van het hof een goede positie op de arbeidsmarkt. [verweerder] is 32 jaar, beheerst de Engelse taal goed en het hof acht aannemelijk dat [verweerder] makkelijk plaatsbaar is voor productiewerk op basis van het minimumloon, zoals [de vennootschap 1] heeft gesteld. [verweerder] heeft aangevoerd dat het hem ondanks diverse sollicitaties nog niet gelukt is om een nieuwe baan te vinden. Echter op het moment van de sollicitaties was [verweerder] arbeidsongeschikt en [de vennootschap 1] heeft onweersproken gesteld dat [verweerder] op te hoge functies heeft gesolliciteerd. Het enkele feit dat [verweerder] niet over woonruimte beschikt, maakt niet dat hij een slechtere positie heeft op de arbeidsmarkt, nog afgezien van het feit dat dit binnen zijn eigen risicosfeer ligt.
€ 273,32 bruto per week (dagloon € 78,09 x 70% x 5 dagen). Het verschil hiertussen bedraagt € 119,08 bruto per week. Over de periode van 26 augustus 2016 tot en met 20 april 2017 komt dat neer op een bedrag van € 4.048,72 bruto (€ 119,08 x 34 weken). Het hof zal dit bedrag als billijke vergoeding toewijzen. Het hof acht [verweerder] met dit bedrag in de gegeven omstandigheden afdoende gecompenseerd.
Gelet op het voorgaande dient de loonvordering van [verweerder] alsnog te worden afgewezen.
Gelet op de uitkomst van het hoger beroep zal het hof de beslissing omtrent de proceskosten van de eerste aanleg bekrachtigen en [de vennootschap 1] veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
4.De beslissing
€ 4.048,72 bruto;