Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 28 juni 2016 waarbij het hof een comparitie van partijen heeft gelast;
- het proces-verbaal van comparitie van 31 oktober 2016 met daaraan gehecht de pleitaantekeningen van de advocaten van beide partijen ten behoeve van de comparitie;
- de akte na comparitie in principaal/incidenteel hoger beroep van [appellante] met producties 10, 11a, 11b, 12a, 12b en 13;
- de antwoordakte na comparitie in principaal/incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] met producties 23 t/m 30.
6.De beoordeling
suppletieregelingin r.o. 4.5., 4.12. en 4.15.
suppletieregelingen wel die in r.o. 4.13., 4.14. en 4.16.
bonusin r.o. 4.22. tot en met 4.28.
De beoordelaars van [geïntimeerde] hebben geen aanleiding gezien om haar een bonus toe te kennen. In de onderlinge vergelijking met andere vergelijkbare werknemers is door [appellante] besloten dat [geïntimeerde] over 2014 geen bonus zou krijgen. Daarmee zegt [appellante] niet dat zij slecht gefunctioneerd heeft. Maar in vergelijking met anderen en gezien de bijzondere omstandigheden waar [geïntimeerde] toen in zat, heeft [appellante] geoordeeld dat zij niet voor een bonus in aanmerking komt.’
Be able to explain your decision to employees’. Vast staat dat [appellante] niet aan [geïntimeerde] heeft gecommuniceerd welke criteria werden gehanteerd en waarom zij niet in aanmerking kwam voor de bonus. [appellante] biedt [geïntimeerde] een ‘Target’ bonus aan als substantieel onderdeel van haar salaris; het is dan aan [appellante] om duidelijk te maken welke ‘targets’/doelen [geïntimeerde] moet halen om haar bonus te kunnen ontvangen. Gesteld noch gebleken is dat aan [geïntimeerde] is aangegeven welke concrete doelen zij in de periode waarover de bonus wordt toegekend, moet behalen om tot uitkering van de bonus te komen.
dusdanig onder de maat presteren’, wil er in het geheel geen bonus uitgekeerd worden. Het is niet duidelijk geworden wat hier precies mee bedoeld wordt, maar het hof gaat er van uit dat sprake moet zijn van substantieel onderpresteren. [appellante] kent bij de beoordeling van het door haar gestelde substantieel onderpresteren van [geïntimeerde] grote waarde toe aan de - in reactie op de door [geïntimeerde] overgelegde cijfers (prod. 21 mva/mvg) - bij akte na comparitie overlegde cijfers over 2014. Deze cijfers zijn als zodanig niet door [geïntimeerde] betwist en geven inderdaad een negatief beeld te zien van de prestaties van de afdeling B2B waarvoor [geïntimeerde] verantwoordelijk was. Het is echter de vraag of het voor de beoordeling van de performance van [geïntimeerde] redelijk is dat de eenmalige bate, die zich, ook volgens [appellante] , vaker kan voordoen, zonder meer wordt geëcarteerd. Maar los daarvan is het de vraag of in dit opzicht sprake is van zodanig substantieel onderpresteren dat de negatieve resultaten doorslaggevend mochten zijn voor de vraag of aan [geïntimeerde] een bonus werd toegekend. Immers, de afdeling B2B presteerde slecht toen [geïntimeerde] werd aangenomen, zij heeft gedurende 2014 diverse complimenten gekregen, terwijl gesteld noch gebleken is dat zij is aangesproken op onder de maat presteren, zodat zij niet in de gelegenheid is geweest om zich te verbeteren, en zij zelfs over de periode tot 1 mei 2014 de volle bonus heeft ontvangen. De overige kritiek van [appellante] op het functioneren van [geïntimeerde] heeft geen handen en voeten gekregen en ook daar is de vraag of dit te kwalificeren is als substantieel onderpresteren, al dan niet in combinatie met de hiervoor besproken cijfers. Daarbij komt dat de vergelijking door [appellante] van [geïntimeerde] met haar ‘peers’ is door [appellante] niet onderbouwd. Op grond van welke ‘bijzondere omstandigheden’ [geïntimeerde] niet voor de bonus in aanmerking komt (punt 8 pleitnota [appellante] eerste aanleg) heeft [appellante] evenmin nader onderbouwd.
nietslecht gefunctioneerd heeft.
geheelonthouden had kunnen worden. Daarvoor heeft [appellante] ook in hoger beroep te weinig en onvoldoende onderbouwd gesteld.