Partijen zijn in 1986 gehuwd en zijn in 2009 gescheiden waarbij zij een echtscheidingsconvenant sloten met een niet-wijzigingsbeding voor partneralimentatie. De man verzocht om wijziging van de alimentatie vanwege beëindiging van zijn dienstverband en ziekte. De rechtbank stelde de alimentatie per 15 november 2016 op nihil.
De vrouw kwam in hoger beroep en betoogde dat de beëindiging van het dienstverband geen reden was voor wijziging omdat zij het risico van werkloosheid bij de man had gelegd. De man stelde dat zijn ziekte sinds oktober 2015 tot doorbreking van het beding leidde. Het hof oordeelde dat de beëindiging van het dienstverband en het niet zoeken van ander werk geen grond vormden voor doorbreking, maar dat de ziekte wel een onvoorziene en ingrijpende omstandigheid was.
Het hof berekende de draagkracht van de man rekening houdend met zijn ontslagvergoeding, WW- en ziektewetuitkering, en stelde de partneralimentatie met ingang van 1 mei 2017 op nihil. Tevens bepaalde het hof dat de vrouw teveel betaalde alimentatie aan de man moet terugbetalen. De proceskosten werden gecompenseerd vanwege de relatie tussen partijen.