Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/226304 KG ZA 16-494)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;
- de memorie van antwoord met een productie;
- het pleidooi, waarbij [appellante] pleitnotities heeft overgelegd.
3.De beoordeling
- pesten/treiteren van medeleerlingen, zodat dezen zich niet veilig voelden in de school;
“(…)Op 6 oktober 2014 heeft [minderjarige] tijdens de grote pauze ruzie gehad met een leerling uit leerjaar 1. [minderjarige] heeft deze leerling met een aantal andere leerlingen uitgedaagd. Toen deze verhaal kwam halen liep de situatie uit de hand en heeft [minderjarige] fysiek geweld tegen deze leerling gebruikt.(…)Naar aanleiding van het bovengenoemde voorval volgt er een sanctie nl. 1 dag schorsing op vrijdag 17 oktober 2014 op school van 8.30 uur tot 16.30 uur. (…)[minderjarige] heeft in leerjaar 1 als gevolg van fysiek geweld en ander voorvallen ook al twee schorsingen gehad. Dit houdt in dat wij samen met u als ouders op zoek gaan naar een passende plaats voor [minderjarige] . Hierover zullen wij na de herfstvakantie met u in gesprek gaan. (…)”
“(…)Hierbij delen wij u mede dat uw zoon [minderjarige] 2 dagen intern wordt geschorst in verband met 3 maal verwijdering uit de les en het herhaaldelijk te laat komen.De schorsing geldt voor donderdag 4 juni 2015 en vrijdag 5 juni 2015 en is gemeld bij de Onderwijsinspectie en leerplichtambtenaar.[minderjarige] wordt op deze dagen op school verwacht van 8.30 – 16.30 uur (…)”
“(…)Hierbij delen wij u mede dat uw zoon [minderjarige] 2 dagen extern wordt geschorst. De reden van de schorsing is fysiek geweld tegen een medeleerling.De schorsing geldt voor maandag en dinsdag 15 en 16 februari 2016 is gemeld bij de onderwijsinspectie. (…)”
“(…)Er blijft een verschil van inzicht bestaan tussen school en ouders omtrent de ondersteuningsbehoeften en begeleiding van [minderjarige] . Het voorstel van het Ondersteuningsloket is [minderjarige] tijdelijk te plaatsen bij de BZV[Bovenschoolse Zorgvoorziening]
, een neutrale setting, waarbij objectief gekeken kan worden naar zijn onderwijsbehoeften, leerbaarheid en welke vorm van onderwijs het beste bij hem past. Het ondersteuningsloket biedt [minderjarige] een toelaatbaarheidsverklaring voor de BZV aan.(…)”
“(…)
“(…)Op 24 juni 2016 heeft u van (…) [appellante] een brief gekregen inzake het voornemen tot definitieve verwijdering van (…) [minderjarige] van (..) [appellante] (…). School geeft aan handelingsverlegen te zijn en geen passend onderwijs meer te kunnen bieden.Diverse gesprekken hebben (…) plaatsgevonden met school, onderwijsconsulent, gezinscoach, leerplicht en ondersteuningsloket.(…)Het dringende advies om samen met [minderjarige] naar de Bovenschoolse Zorgvoorziening te gaan kijken heeft u helaas niet opgevolgd. De BZV zou volgens de professionals een juiste stap zijn voor [minderjarige] om te kijken of hij daarna verder zou kunnen op een regulier school of dat toch een vorm van speciaal onderwijs passend zou zijn.(…)U bent natuurlijk ook vrij om te gaan kijken naar bv een ROC; [minderjarige] is inmiddels 16 en zou drempelloos kunnen instromen op een ROC (…)”
“(…)Indachtig de regelgeving is de schorsingstermijn met ingang van heden afgelopen. Een bezwaar hiertegen mochten wij in deze periode niet ontvangen. Met het plaatsen van [minderjarige] binnen de Bovenschoolse Zorgvoorziening wordt de verwijdering daarmee per vandaag geeffectueerd. Dit betekent dat [minderjarige] wordt uitgesloten van het lesprogramma binnen [appellante] College en wordt overgedragen aan de Bovenschoolse Zorg voorziening.(…)”
geen rechten kan ontlenen” in verband met de aanhangige bezwaarprocedure, vermeld onder 3.1.u. Het verwijderingsbesluit van [appellante] is (nog) niet onherroepelijk, aldus [geïntimeerde] . Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] om deze reden op dit moment geen spoedeisend belang bij de door haar gevraagde voorziening in kort geding. Reeds om deze reden moet die voorziening, met vernietiging van het vonnis waarvan beroep, worden geweigerd en moet de vordering alsnog worden afgewezen.
vanwege de sfeer en omdat veel kinderen bij de BZV een strafrechtelijk verleden hadden”, zo is namens [geïntimeerde] bij het pleidooi in hoger beroep verklaard. Dit lijkt een weinig concrete en in elk geval niet doorslaggevende reden voor die weigering, waarbij het hof betrekt dat ook [minderjarige] strafrechtelijk is veroordeeld (zie 3.1.h).
Hoe dit ook zij, naar het oordeel van het hof heeft [appellante] , die reeds vanaf eind 2014 had aangegeven handelingsverlegen te zijn met betrekking tot [minderjarige] , alle haar ten dienste staande middelen en mogelijkheden om een oplossing voor de onderwijssituatie van [minderjarige] te creëren, benut. [geïntimeerde] heeft ook niet gesteld welke andere mogelijkheid [appellante] , anders dan het terugplaatsen van [minderjarige] op de school in [plaats] , onbenut heeft gelaten. Die mogelijkheid was naar het oordeel van het hof, gelet op de onder de feiten weergegeven voorgeschiedenis, evenwel geen reële optie.
Ook de Geschillencommissie is in haar beslissing van 4 april 2017 tot het oordeel gekomen dat, kort samengevat, [appellante] juist heeft gehandeld. De commissie heeft de weg die [appellante] voor [minderjarige] koos, te weten definitieve verwijdering en het zoeken en vinden van een school voor speciaal onderwijs voor [minderjarige] , onderschreven.
4.De uitspraak
€ 718,-- aan griffierecht en op € 2.682,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep;