ECLI:NL:GHSHE:2017:327

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
31 januari 2017
Publicatiedatum
31 januari 2017
Zaaknummer
200.199.796_01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62b Wet ROArt. 46b Wet ROArt. 6 EVRMArt. 18 VWEU
Verwijzingen
9 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verwijzing van hoofdzaak naar ander gerechtshof wegens vermeende belangenverstrengeling

In deze civiele procedure vordert Société, een Franse vennootschap, verwijzing van de hoofdzaak naar een ander gerechtshof op grond van artikel 62b van de Wet op de Rechterlijke Organisatie. Société baseert dit verzoek op de vermeende belangenverstrengeling doordat de echtgenote van een praktiserend dierenarts bij VCS, de tegenpartij, senior raadsheer is bij het hof. Société stelt dat dit, mede gelet op het internationale karakter van de zaak en het fair trial principe uit artikel 6 EVRM Pro, aanleiding geeft tot schijn van partijdigheid.

VCS betwist dit en voert aan dat er geen sprake is van daadwerkelijke of schijnbare belangenverstrengeling of vooringenomenheid. Het hof overweegt dat artikel 62b RO verwijzing mogelijk maakt indien betrokkenheid van het gerechtshof de behandeling door een ander hof wenselijk maakt. In deze zaak is geen sprake van betrokkenheid van de raadsheer bij de zaak, en haar echtgenoot is sinds 2012 geen aandeelhouder meer van VCS en niet betrokken bij de procedure.

Het hof concludeert dat er geen objectieve feiten zijn die een vrees voor partijdigheid rechtvaardigen en dat het verzoek onvoldoende op andere wettelijke gronden is onderbouwd. Daarom wijst het hof het verzoek tot verwijzing af. De beslissing over de kosten van het incident wordt gereserveerd tot de einduitspraak. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol van 14 februari 2017 voor memorie van antwoord van VCS, waarbij verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot verwijzing van de hoofdzaak naar een ander gerechtshof af wegens ontbreken van belangenverstrengeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.199.796/01
arrest van 31 januari 2017
in de zaak van
[de Société],
gevestigd te [vestigingsplaats] , Frankrijk,
appellante,
hierna aan te duiden als Société,
advocaat: mr. L.M. Schelstraete te Oisterwijk,
tegen
[VCS] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als VCS,
advocaat: mr. A.H. Blok te Veenendaal,
op het bij exploot van dagvaarding van 31 augustus 2016 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 23 april 2014, 4 maart 2015, 8 juli 2015, 29 juli 2015 en 13 juli 2016 door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen Société als eiseres en VCS als gedaagde.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/274999/HA ZA 14-132)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven tevens houdende verzoek tot verwijzing naar een ander gerechtshof met producties;
  • de memorie van antwoord in het incident tot verwijzing.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De beoordeling

In het incident
3.1.
Société vordert in dit incident verwijzing van de hoofdzaak naar een ander gerechtshof op de voet van artikel 62b Wet op de Rechterlijke Organisatie (hierna: RO). Aan dit verzoek heeft Société ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat de echtgenote van drs. [praktiserend dierenarts] , (volgens de openbare registers van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) praktiserend dierenarts bij VCS, senior raadsheer is bij dit hof. Société stelt dat enige schijn van belangenverstrengeling (ook hypothetisch) voorkomen dient te worden, het een zaak betreft met een internationaal karakter en de belangen aanzienlijk zijn. Bovendien stelt Société dat in het kader van het Europese recht rekening dient te worden gehouden met het ‘fair trial principle’ (artikel 6 EVRM Pro) en het verbod op discriminatie (artikel 18 VWEU Pro).
3.2.
VCS voert - kort gezegd - aan dat verwijzing naar een ander hof niet geboden en/of noodzakelijk is, omdat van belangenverstrengeling, vooringenomenheid, de vrees daarvoor en/of schijn daarvan geen sprake is. VCS is van mening dat het verzoek tot verwijzing in feite is ingegeven door de subjectieve vrees voor een niet-onpartijdige behandeling door het hof, waarbij van objectieve onpartijdigheid en/of objectieve feiten en omstandigheden blijkende vrees voor subjectieve partijdigheid niet(s) is gesteld en/of gebleken.
3.3.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 62b RO bepaalt dat het gerechtshof een zaak ter verdere behandeling kan verwijzen naar een ander gerechtshof indien naar zijn oordeel door betrokkenheid van het gerechtshof behandeling van die zaak door een ander gerechtshof gewenst is.
In de parlementaire geschiedenis van artikel 62b RO gelezen in verband met die van artikel 46b RO (TK, vergaderjaar 2010-2011, 32 891, nr. 3, blz. 52 en 53) staat beschreven dat op grond van genoemde artikelen verwijzing mogelijk wordt gemaakt wanneer naar het oordeel van het verwijzende gerechtshof door “betrokkenheid van het gerechtshof” behandeling van de zaak door een ander gerechtshof gewenst is. Deze formulering maakt het niet alleen mogelijk te verwijzen wanneer een medewerker van het gerechtshof partij of betrokkene is bij een zaak, maar ook wanneer bijvoorbeeld sprake is van een geschil van een advocaat die regelmatig bij het bevoegde gerechtshof pleit voor zijn cliënten en nu een privégeschil heeft. In deze zaak doet zich een van de hiervoor geschetste situaties niet voor. Van betrokkenheid van de raadsheer van dit hof bij deze zaak is niet gebleken, terwijl haar echtgenoot al vanaf 1 januari 2012 geen aandeelhouder meer is van VCS en hij bij de onderhavige procedure niet betrokken is (geweest).
3.4.
Voor het geval Société haar vordering tot verwijzing op een nadere wettelijke grondslag baseert, heeft zij daartoe onvoldoende aangevoerd.
3.5.
Gelet op het voorgaande ziet het hof geen reden voor verwijzing van de hoofdzaak naar een ander gerechtshof op grond van artikel 62b RO. Het hof zal de incidentele vordering derhalve afwijzen.
3.6.
De beslissing omtrent de kosten van het incident zal worden gereserveerd tot de einduitspraak.
In de hoofdzaak
3.7.
De zaak wordt naar de rol van 15 februari 2017 verwezen voor memorie van antwoord aan de zijde van VCS. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De uitspraak

Het hof:
in het incident:
wijst de vordering van Société af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 14 februari 2017 voor memorie van antwoord aan de zijde van VCS;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, C.N.M. Antens en A.J. Henzen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 31 januari 2017.
griffier rolraadsheer