Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/269317 / HA ZA 13-728)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de incidentele memorie van bezwaar tegen wijziging van eis/tevens memorie van antwoord;
- de akte van de vrouw van 15 maart 2016;
- de akte van de man van 15 maart 2016;
- de antwoordakte van de vrouw van 12 april 2016;
- de antwoordakte van de man van 12 april 2016.
3.De beoordeling
verdeling[curs. rb, hof] van een tussen hen bestaande gemeenschap (door de vrouw bij akte van 10 januari 2012 ten onrechte, want niet in overeenstemming met de juridische realiteit nu partijen met elkaar gehuwd waren buiten iedere gemeenschap van goederen, betiteld als huwelijksgemeenschap). De vrouw heeft pas in haar laatste processtuk in deze zaak, haar akte van 27 november 2013, gevorderd de vorderingen die partijen over en weer op elkaar hebben ingevolge hun huwelijkse voorwaarden vast te stellen (en in dat kader een deskundigenbericht te bevelen). Dit betreft een vordering met als kennelijk doel te komen tot
verrekening. Deze vordering is van geheel andere aard dan de vordering waarover tot eind 2013 is geprocedeerd. Deze eiswijziging is daarom ingrijpend. Voorts is de vordering tot het vaststellen van de vorderingen die partijen over en weer op elkaar hebben ingevolge hun huwelijkse voorwaarden onvoldoende onderbouwd. Hetzelfde geldt overigens voor de reactie van de wederpartij hierop.
manmerkt hierover op dat de vrouw na de wijziging van eis in hoger beroep niet meer een verdeling van de eenvoudige gemeenschap vordert maar een verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden (incid. memorie van bezw./mva, p. 1 (laatste alinea) en p. 2 (derde alinea)).
hofstelt vast dat de vrouw in hoger beroep, zoals de man heeft opgemerkt, geen verdeling meer vordert van de tussen partijen bestaande (eenvoudige) gemeenschap. Dit blijkt uit (in onderlinge samenhang bezien):
manberoept zich op verjaring van de rechtsvordering van de vrouw tot verrekening (art. 1:141 lid 6 BW Pro en art. 3:307 BW Pro). Subsidiair doet de man een beroep op verval van de verrekenvordering (art. 5f van de huwelijkse voorwaarden).
vrouwvoert hiertegen het volgende aan.
manstelt hier het volgende tegenover.
hofoordeelt als volgt.