Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- de memorie van grieven met drie producties (nrs. 10, 11 en 12);
- de memorie van antwoord met één productie (nr. 1);
- de akte van BNP;
- de antwoordakte van [Beheer ] .
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak stond centraal wie hoofdelijk aansprakelijk is voor onbetaalde huur na het faillissement van een dochteronderneming: de oude moedermaatschappij of de nieuwe moedermaatschappij na aandelenoverdracht.
De huurovereenkomst werd gesloten tussen IPV als huurder en [Beheer] als medehuurder, waarbij [Beheer] zich hoofdelijk aansprakelijk stelde. Na verkoop van de apparatuur aan BNP werd BNP de nieuwe verhuurder. [Beheer] verkocht haar aandelen in IPV aan IPV Holding, de nieuwe moedermaatschappij, maar zonder schriftelijke toestemming van BNP voor deze indeplaatsstelling.
BNP stelde [Beheer] aansprakelijk voor de onbetaalde huur na het faillissement van IPV. Het hof oordeelde dat ondanks de aandelenoverdracht en kennisgevingen aan de oude verhuurder, BNP niet schriftelijk had ingestemd met de overdracht van de huurovereenkomst. Hierdoor bleef [Beheer] hoofdelijk aansprakelijk. De vordering van BNP werd grotendeels toegewezen, met aftrek van de verkoopopbrengst van de apparatuur en afwijzing van buitengerechtelijke kosten wegens gebrek aan bewijs.
Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde [Beheer] tot betaling van € 39.460,82 plus contractuele rente en proceskosten, waarbij het beroep op redelijkheid en billijkheid werd verworpen omdat de verhuurder gerechtvaardigde belangen had bij instemming met indeplaatsstelling.
Uitkomst: Het hof veroordeelt de oude moedermaatschappij tot betaling van de onbetaalde huur plus rente en proceskosten wegens het ontbreken van schriftelijke toestemming voor indeplaatsstelling.