Uitspraak
hij op of omstreeks 25 september 2013 te IJzendijke, gemeente Sluis, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben/heeft verdachte en/of diens mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal, door het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
hij op of omstreeks 25 september 2013 te Dordrecht en/of IJzendijke, gemeente Sluis, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie II/III, te weten enig vuurwapen (Walther-P1), en/of munitie van categorie II/III, te weten twee, althans één of meer patro(o)n(en) (9 mm), voorhanden heeft gehad.
hij op 25 september 2013 te IJzendijke, gemeente Sluis, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en diens mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met een vuurwapen meermalen door het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.
hij op 25 september 2013 te IJzendijke, gemeente Sluis, tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie III, te weten enig vuurwapen (Walther-P1), en munitie van categorie III, te weten patronen (9 mm), voorhanden heeft gehad.
Standpunt verdediging
- geen van de gehoorde getuigen drie personen gelijktijdig op de plaats delict zag;
- niet vaststaat dat de berekeningen die zijn gemaakt over het tijdstip waarop [verdachte] moet zijn vertrokken en waarop [medeverdachte 1] ter plaatse moet zijn gekomen juist is;
- op de plaats delict enkel schoensporen van [medeverdachte 1] zijn aangetroffen;
- getuigen [getuige 3] en [getuige 4] hebben verklaard twee personen te hebben gezien op de latere plaats delict, welke personen [slachtoffer] en [medeverdachte 1] moeten zijn geweest en het berekende tijdstip van de waarneming van [getuige 4] niet zeker is.
- de rechtbank onvoldoende heeft onderbouwd dat de aanwezigheid van prominentere sporen van [verdachte] op het wapen niet past bij de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij degene is geweest die heeft geschoten;
- de conclusie van de rechtbank indruist tegen het rapport van deskundige dr. L.H.J. Aarts, die heeft geconcludeerd dat het niet mogelijk is om een uitspraak te doen over de waarschijnlijkheid van de bevindingen van het DNA-onderzoek aan de bemonsteringen van het pistool onder de voorliggende hypothesen;
- de conclusie die de rechtbank heeft getrokken inzake het rapport van Van der Scheer ondeugdelijk is;
- de conclusies uit het IDFO-onderzoek niet bruikbaar zijn voor het bewijs omdat de wijze waarop proefschoten zijn genomen niet correspondeert met de situatie op 25 september 2013. Daar komt bij dat op de mouwen van de jas van [medeverdachte 1] A deeltjes zouden moeten zijn gevonden indien de aangetroffen B deeltjes afkomstig zijn van een schietproces. Nu geen A deeltjes zijn aangetroffen, zijn de gevonden B deeltjes waarschijnlijk niet afkomstig van een schietproces.
- de evaluatie van het bloedspoorpatroononderzoek weliswaar de theoretische mogelijkheid oppert dat de sporen zijn gestempeld, maar onduidelijk is wat de kans daarop is, terwijl bovendien geen schoensporen zijn aangetroffen nabij de schoensporen van [medeverdachte 1] .
Oordeel van het hof ten aanzien van feit 1
“eerst de oude mensen met elkaar gaan praten en die regelen het dan”(pg. 509). Ook door [getuige 2] , een vriend van [slachtoffer] , is verklaard dat [betrokkene 2] was uitgehuwelijkt aan haar neef maar dat zij niet met die neef wilde trouwen (pg. 350 e.v.). Op 18 september 2013 ontving [getuige 2] een bericht van [betrokkene 2] op zijn telefoon waarin stond dat [medeverdachte 1] [betrokkene 2] had geslagen en haar tanden waren gebroken. Volgens [getuige 2] heeft [slachtoffer] zich toen gemeld bij de politie. [betrokkene 2] is vervolgens thuis opgehaald.
“het niet (vond) kunnen en daarom (…) [slachtoffer] (is) neergeschoten”(pg. 498). Ook heeft hij op de vraag van de politie of de familie-eer was hersteld nu iemand uit de familie [slachtoffer] heeft neergeschoten, verklaard dat dit volgens zijn vader wel het geval is (pg. 499).
“Hij heeft van iemand gehouden en is omwille daarvan heen gegaan.”(pg. 1021). [medeverdachte 2] zegt kort daarna tegen [getuige 11] :
“Nu zeg ik niet dat [slachtoffer] schuldig is of die eerloze hoer niet schuldig is. Zij is nog duizend keer meer schuldig dan [slachtoffer] .”[getuige 11] zegt dat hij hem (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) heel vaak heeft gewaarschuwd (pg. 1021). Het gesprek gaat verder waarna [medeverdachte 2] op enig moment zegt: “
Die hoer is twee dagen eerder meegenomen door de politie. Als dat niet was gebeurd dan had ik haar thuis in stukken gehakt dus. Het maakt niet uit of ik dan levenslang in de gevangenis was beland. (…) Allah is groot, ik kom haar ooit tegen”(pg. 1022). Daarnaast volgt uit een afgeluisterd gesprek tussen [getuige 12] van 29 januari 2014, zijnde een broer van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , en [getuige 13] dat [getuige 12] bij [medeverdachte 1] op bezoek is geweest en dat [medeverdachte 1] had gezegd:
“Maak je geen zorgen om mij, het is niet erg, als ik…als wij dit niet hadden gedaan, dan zou men zeggen dat de familie van [familie X] ( [familie X] ) eerloos is. Het moest.”(pg. 1113).
“omdat er politie was”. Dat laatste was niet het geval. [getuige 16] zegt dan dat ze zullen wachten (pg. 358).
“geklaard”had beantwoordt [medeverdachte 1] bevestigend (pg. 358).
“Ik ben in België. Jullie hadden tegen ons gezegd ‘er is niks’. Je kunt komen. Toen ik op het vliegveld aan kwam, hebben ze mij gelijk opgepakt.”Even later in dat gesprek zegt [medeverdachte 2] tegen [verdachte] dat [verdachte] bang werd voor zijn vader (
hof: hiermee wordt bedoeld [medeverdachte 1]) en daarvoor is weggegaan. Ook zegt hij dat [verdachte] van niks weet en dat broer het allemaal op zich heeft genomen. [medeverdachte 1] moet wel eerst weten wat [medeverdachte 1] heeft verklaard zodat hij zijn verklaring daaraan kan aanpassen (pg. 1136 en 1137). Hieruit volgt dat [medeverdachte 2] [verdachte] instrueert over welke verklaring hij, [verdachte] , bij de politie moet afleggen.
“Amo”en dat deze
“de banden en zo in de machines heeft gedaan en alles heeft gewassen”(pg. 1222).
“diegene in Duitsland, bij wie die witte was(het hof begrijpt: de witte Audi)
, die witte heeft gebracht om te wassen”. [medeverdachte 2] antwoordt dat hij het wel heeft gedaan, in zijn geheel en twee keer (pg. 1235).
“Doe het”(pg. 121, 1175). [verdachte] heeft vervolgens met de Audi van het bedrijf [slachtoffer] naar de werklocatie gebracht. Hij bewerkstelligt dat hij alleen met [slachtoffer] op de werklocatie blijft; hij stuurt de andere werknemers met een smoes weg en instrueert hen dat zij nog niet terug mogen komen. Ook [medeverdachte 1] is met een auto van het bedrijf naar de werklocatie gereden. Hij arriveert rond het tijdstip waarop [slachtoffer] van het leven wordt beroofd op de plaats delict. Het wapen waarmee [slachtoffer] van het leven wordt beroofd is ofwel door [medeverdachte 1] , ofwel door [verdachte] meegenomen.
“geklaard”heeft.
“Doe het”en de kennelijke bemoeienis van [medeverdachte 2] met het sturen van [verdachte] en [slachtoffer] naar de werklocatie in een auto van het bedrijf en gezien de contacten met hem die ochtend, kan uit het om 09:02:38 uur gevoerde telefoongesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] worden afgeleid dat [verdachte] [medeverdachte 2] er op dat moment van op de hoogte stelt dat [slachtoffer] van het leven is beroofd. Vervolgens belt [medeverdachte 1] het alarmnummer 112 en stelt [medeverdachte 2] korte tijd later zijn familieleden op de hoogte.
“Als wij dit niet hadden gedaan, dan zou men zeggen dat de [familie X] eerloos is. Het moest”(pg. 1113).
“Je weet dat je vader het je had gezworen”, waarop [betrokkene 2] zegt: “
Ik weet dat hij het had gezworen (…).”
Oordeel van het hof ten aanzien van feit 2
Standpunt van de verdediging
“ [bijnaam 1] ”, maar
“ [bijnaam 2] ”. Verzocht wordt dit gesprek opnieuw te laten vertalen als het hof dat gesprek voor het bewijs zou gebruiken;
Overwegingen van het hof naar aanleiding van de gevoerde verweren
“Jullie moeten gauw die haspelwagen halen”(pg. 384), hetgeen het hof begrijpt in die zin dat de werknemers gauw de werkplek moesten verlaten.
- Materiele schade: € 23.140,00 (gederfde inkomsten)
- Immateriële schade: € 7.500,00 (shockschade)
BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
20 (twintig) jaren.