Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1. Little Art Factory V.O.F. (hierna aan te duiden als de VOF);
2. [vennoot 1] ; en
(1. t/m 3. hierna samen aan te duiden als [appellanten c.s.] )
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/286767/ HA ZA 14-619)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het exploot van anticipatie van 4 september 2015;
- de memorie van grieven met producties;
- het verzoek van de Bank van 27 januari 2016 tot schorsing/aanhouding van de procedure wegens het faillissement van [appellanten c.s.] d.d. 12 januari 2016;
- de schorsing van rechtswege van het hoger beroep voor zover dat betreft de vordering van de Bank in conventie (art. 29 Fw Pro) en de aanhouding van het geding voor zover dat betreft de vorderingen van [appellanten c.s.] in reconventie voor het oproepen van de Curator door de Bank (art. 27 Fw Pro);
- het bericht van de Curator van 24 maart 2016 met de mededeling dat hij de procedure (in reconventie) overneemt;
- de memorie van antwoord;
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij H-formulier van 3 april 2017 door de Curator toegezonden producties, die de Curator ter gelegenheid van het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling
“mede gezien het stelselmatig niet (kunnen) voldoen aan uw rente- en aflossingsverplichtingen en dientengevolge de huidige overstand op uw rekening-courant krediet alsmede de algehele precaire financiële situatie”met het verzoek de schuld op uiterlijk 3 februari 2014 integraal af te lossen.
hebben de hoogte van de hoofdvordering van de Bank niet bestreden, maar het verweer gevoerd - samengevat, voor zover in hoger beroep nog relevant - dat alle vorderingen moeten worden afgewezen omdat de Bank op verschillende momenten haar zorgplicht heeft geschonden.