Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1] ,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
4.De uitspraak
woensdag, 30 november 2017, PRO FORMA;
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak hebben [appellant 1] en [appellante 2], gehuwd in gemeenschap van goederen, hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling door de rechtbank Oost-Brabant. De rechtbank had geoordeeld dat niet voldoende aannemelijk was dat zij te goeder trouw waren geweest bij het ontstaan van hun schulden en dat appellante 2 niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen.
Het hof heeft vastgesteld dat een bewind is ingesteld over hun goederen en dat de schuld aan het CJIB, ontstaan door het niet verzekeren van een voertuig, niet te goeder trouw is ontstaan. Desondanks past het hof de hardheidsclausule toe omdat appellant 1 inmiddels een vaste baan heeft, stabiel woont en professioneel wordt begeleid, en er geen nieuwe schulden zijn ontstaan.
Het hof acht appellant 1 in staat om aan de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling te voldoen en wijst zijn verzoek toe. Voor appellante 2 is de situatie anders; vanwege haar ernstige psychische problemen en beperkte arbeidsgeschiktheid acht het hof haar verzoek prematuur en houdt de behandeling aan voor een half jaar om haar behandeling voort te zetten en haar saneringsrijpheid te beoordelen.
Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en het hof bepaalt dat de griffier van het hof de griffier van de rechtbank op de hoogte stelt van de uitspraak in verband met de benoeming van een rechter-commissaris en bewindvoerder.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van appellant 1 tot toelating tot de schuldsaneringsregeling toe en houdt de behandeling van het verzoek van appellante 2 aan.