Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/251382/HA ZA 12-743)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties (1 t/m 3);
- de memorie van antwoord;
- de akte overlegging producties (4 t/m 6) van [appellant] ten behoeve van het pleidooi;
- de bij H-formulier van 4 januari 2017 door mr. Van der Ven toegezonden producties (G12 t/m G15), die [geïntimeerde] bij het pleidooi in het geding heeft gebracht;
- het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.
3.De beoordeling
[grote bilspier, hof]links bij status na gluteus maximus ruptuur, status na comminutieve fractuur
[fractuur bestaande uit meerdere fragmenten, hof]met dislocatie van het os coccyx
[stuitje, hof]alsmede neuropraxie
[kneuzing van de zenuw, hof]en zeer lichte parese
[verlamming, hof]in het traject van de wortel S 1 links. De letsels zijn posttraumatisch van aard en het directe gevolg van het door betrokkene doorgemaakte ongeval op 08-09-2009. (…)”.
Waterskieër achter boot gekoppeld, een beginner. Ik zou bij bocht arm omhoog een draaiende beweging maken. 1e bocht gedaan, 2e bocht vergeten. Hr [appellant] sloeg tegen kant vd wal. Diverse kneuzingen, stuitje gebroken. Mijn boot schoot ook op de wal door reflex uit schrik.
[appellant]”.
(“Datum, tijd: 23-09-2009 15:21 (…) Klant safje toegezonden”). Zonder nadere verklaring van [appellant] , die ontbreekt, valt niet in te zien dat mevrouw [medewerker assurantietussenpersoon] in dat schadeaangifteformulier (saf) niet de lezing van [appellant] over de toedracht van het ongeval zou hebben vermeld. Een lezing die vervolgens door [appellant] is onderschreven door ondertekening van het schadeaangifteformulier, waarin staat vermeld dat “
Ondergetekende verklaart vorenstaande vragen en opgaven naar beste weten, juist en overeenkomstig de waarheid te hebben beantwoord (..)”. Indien de toedracht van het ongeval een andere was geweest dan reeds (handmatig) door mevrouw [medewerker assurantietussenpersoon] op het schadeaangifteformulier ingevuld, mocht van [appellant] verwacht worden dat hij dat (aan mevrouw [medewerker assurantietussenpersoon] of Unigarant) zou hebben gemeld en het schadeaangifteformulier niet zou hebben ondertekend. Het schadeaangifteformulier levert overigens geen dwingend bewijs op zoals door [appellant] is gesteld, aangezien geen sprake is van een akte die bestemd is ten behoeve van [appellant] , die geen wederpartij in de zin van artikel 157 lid 2 Rv Pro is, de verklaring van [geïntimeerde] te bewijzen; het is een schriftelijk stuk waaraan in de onderhavige procedure vrije bewijskracht toekomt.
4.De uitspraak
6 juni 2017voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;